Laden

Vraag Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere? van de Grote Westminster Catechismus

Vraag Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere? van de Grote Westminster Catechismus - antwoord met schriftplaatsen
Vr. 151. Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere?
Antw. Zonden worden op de volgende manier erger gemaakt: 1. Door de personen die ze begaan: wanneer die van rijpere leeftijd zijn, meer ervaring of genade hebben, boven anderen uitsteken door hun beroep, gaven, stand of ambt, aan anderen Jeiding moeten geven, en hun voorbeeld gemakkelijk door anderen wordt gevolgd. 2. Vanwege de personen tegen wie ze worden begaan: als ze onmiddellijk tegen God begaan worden, tegen zijn eigenschappen en verering; tegen Christus en zijn genade, tegen de Heilige Geest, diens getuigenis en werkingen; tegen meerderen, mensen van hoge positie en degenen met wie wij in een speciale relatie en verbintenis staan; tegen een van de heiligen, in het bijzonder tegen zwakke broeders, hun zielen of die van iemand anders en het goed dat alle mensen of velen met elkaar gemeen hebben. 3. Door de natuur en hoedanigheid van de overtreding als ze begaan wordt tegen de uitdrukkelijke letter van de wet, vele geboden tegelijk overtreden en veel zonden in zich bevatten als ze niet alleen in het hart bedacht worden, maar in woorden en daden naar buiten treden, anderen aanstoot geven en geen genoegdoening toelaten; als ze worden begaan tegen krachten, barmhartigheden oordelen het licht der natuur, gewetensovertuiging, openbare of geheime vermaning, kerkelijke censuur, burgerlijke straffen; en tegen onze gebeden, bedoelingen, beloften, geloften, verbonden en verbintenissen met God of mensen; als ze opzettelijk gedaan worden moedwillig, vermetel, in onbeschaamdheid grootspraak, boosaardigheid, vaak gedaan worden, met hardnekkigheid, met een zeker genoegen, voortdurend of met terugval erin na getoond berouw, 4. Door omstandigheid van tijd en plaats indien ze worden begaan op de dag des Heren of op andere tijden voor de eredienst of onmiddellijk ervóór, of erna of bij andere middelen die zijn gegeven om zulk wangedrag te voorkomen of te verhelpen; indien begaan in het openbaar of in aanwezigheid van anderen die daardoor mogelijk worden uitgedaagd of besmet.
  • Jeremia 2:8.
  • Job 32:7,9.
  • Prediker 4:13.
  • 1 Koningen 11:4,9.
  • 2 Samuël 12:14.
  • 1 Korintiërs 5:1.
  • Jakobus 4:17.
  • Lucas 12:47,48.
  • Jeremia 5:4,5.
  • 2 Samuël 12:7-9.
  • Ezechiël 8:11,12.
  • Romeinen 2:17-24.
  • Galaten 2:11-14.
  • Mattheüs 21:38,39.
  • 1 Samuël 2:25.
  • Handelingen 5:4.
  • Psalm 51:4.
  • Romeinen 2:4.
  • Maleachi 1:8,14.
  • Hebreeën 2:2,3.
  • Hebreeën 12:25.
  • Hebreeën 10:29.
  • Mattheüs 12:31,32.
  • Efeziërs 4:30.
  • Hebreeën 6:4-6.
  • Judas 1:8.
  • Numeri 12:8,9.
  • Jesaja 3:5.
  • Spreuken 30:17.
  • 2 Korintiërs 12:15.
  • Psalm 55:12-15.
  • Sefanja 2:8,10,11.
  • Mattheüs 18:6.
  • 1 Korintiërs 6:8.
  • Openbaring 17:6.
  • 1 Korintiërs 8:11,12.
  • Romeinen 14:13,15,21.
  • Ezechiël 13:19.
  • 1 Korintiërs 8:12.
  • Openbaring 18:12,13.
  • Mattheüs 23:15.
  • 1 Thessalonicenzen 2:15,16.
  • Jozua 22:20.
  • Spreuken 6:30-35.
  • Ezra 9:10-12.
  • 1 Koningen 11:9,10.
  • Kolossenzen 3:5.
  • 1 Timoteüs 6:10.
  • Spreuken 5:8-12.
  • Spreuken 6:32,33.
  • Jozua 7:21.
  • Jakobus 1:14,15.
  • Mattheüs 5:22.
  • Micha 2:1.
  • Mattheüs 18:7.
  • Romeinen 2:23,24.
  • Deuteronomium 22:22,28,29.
  • Spreuken 6:32-35.
  • Mattheüs 11:21-24.
  • Johannes 15:22.
  • Jesaja 1:3.
  • Deuteronomium 32:6.
  • Amos 4:8-11.
  • Jeremia 5:8.
  • Romeinen 1:26,27.
  • Romeinen 1:32.
  • Daniël 5:22.
  • Titus 3:10,11.
  • Spreuken 29:1.
  • Titus 3:10.
  • Mattheüs 18:17.
  • Spreuken 23:35.
  • Spreuken 27:22.
  • Psalm 78:34-37.
  • Jeremia 2:20.
  • Jeremia 13:5,6,20,21.
  • Prediker 5:4-6.
  • Spreuken 20:25.
  • Leviticus 26:25.
  • Spreuken 2:17.
  • Ezechiël 17:18,19.
  • Psalm 36:4.
  • Jeremia 6:16.
  • Numeri 15:30.
  • Exodus 21:14.
  • Jeremia 3:3.
  • Spreuken 7:13.
  • Psalm 52:1.
  • 3 Johannes 1:10.
  • Numeri 14:22.
  • Zacharia 7:11,12.
  • Spreuken 2:14.
  • Jesaja 57:17.
  • Jeremia 34:8-11.
  • 2 Petrus 2:20-22.
  • 2 Koningen 5:26.
  • Jeremia 7:10.
  • Jesaja 26:10.
  • Ezechiël 23:37-39.
  • Jesaja 58:3-5.
  • Numeri 25:6,7.
  • 1 Korintiërs 11:20,21.
  • Jeremia 7:8-10,14,15.
  • Johannes 13:27,30.
  • Ezra 9:13,14.
  • 2 Samuël 16:22.
  • 1 Samuël 2:22-24.

Genademiddelen en Aanbidding

Vraag Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere? van de Grote Westminster Catechismus

Vraag Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere? van de Grote Westminster Catechismus - antwoord met schriftplaatsen
  1. Bestaat er wel iemand die in staat is de geboden van God volmaakt te onderhouden?
  2. Zijn alle overtredingen van de wet van God even afschuwelijk op zichzelf en in de ogen van God?
  3. Hoe worden sommige zonden erger gemaakt en zo meer afschuwelijk dan andere?
  4. Wat verdient elke zonde uit de hand van God (te ontvangen)?
  5. Wat eist God van ons om aan zijn toorn en vloek te ontkomen die over ons moeten komen om onze overtreding van de wet?
  6. Wat zijn de uiterlijke middelen waarmee Christus ons de weldaden van zijn Middelaarschap meedeelt?
  7. Hoe wordt het Woord krachtig gemaakt tot zaligheid?
  8. Moet het Woord van God door iedereen gelezen worden?
  9. Hoe moet het Woord van God gelezen worden?
  10. Door wie moet het Woord van God gepredikt worden?
  11. Hoe moet het Woord van God gepredikt worden door wie daartoe geroepen zijn?
  12. Wat wordt er vereist van wie het Woord horen prediken?
  13. Hoe worden de sacramenten krachtige middelen tot zaligheid?
  14. Wat is ëen sacrament?
  15. Wat zijn de verschillende kanten die een sacrament heeft?
  16. Hoeveel sacramenten heeft Christus in zijn kerk onder het Nieuwe Testament ingesteld?
  17. Wat is de doop?
  18. Aan wie moet de doop bediend worden?
  19. Hoe moeten wij onze doop gebruiken?
  20. Wat is het avondmaal des Heren?
  21. Hoe moeten brood en wijn in het avondmaal des Heren naar zijn voorschrift worden gegeven en ontvangen?
  22. Hoe voeden zij die waardig deelnemen aan het avondmaal des Heren zich met Chriístus lichaam en bloed?
  23. Hoe dienen zij die het sacrament van het avondmaal des Heren ontvangen zich voor te bereiden voordat ze daaraan komen deelnemen?
  24. Mag iemand die eraan twijfelt of hij wel in Christus is, of zich onzeker voelt ten aanzien van de voorbereiding die hij verschuldigd is, wel naar het avondmaal des Heren komen?
  25. Mag iemand die zijn geloof belijdt en begeert om naar het avondmaal des Heren te komen daarvan worden geweerd?
  26. Wat wordt tijdens de bediening ervan vereist van wie het avondmaal des Heren ontvangen?
  27. Wat is dé plicht van Christenen nadat zij het sacrament van het avondmaal des Heren hebben ontvangen?
  28. Waarin komen de sacramenten van de doop en het avondmaal des Heren met elkaar overeen?
  29. Waarin verschillen de sacramenten van de doop en het avondmaal des Heren?
  30. Wat is bidden?
  31. Moeten we alleen tot God bidden?
  32. Wat is bidden in de naam van Christus?
  33. Waarom moeten wij in de naam van Christus bidden?
  34. Hoe helpt de Geest ons te bidden?
  35. Voor wie moeten wij bidden?
  36. Voor welke dingen moeten we bidden?
  37. Hoe moeten wij bidden?
  38. Welke richtlijn heeft God ons gegeven met het oog op onze gebedsplicht?
  39. Hoe moet het Gebed des Heren gebruikt worden?
  40. Uit hoeveel delen bestaat het Gebed des Heren?
  41. Wat leert de inleiding van het Gebed des Heren ons?
  42. Wat bidden wij in de eerste bede?
  43. Wat bidden wij in de tweede bede?
  44. Wat bidden wij in de derde bede?.
  45. Wat bidden wij in de vierde bede?
  46. Wat bidden wij in de vijfde bede?
  47. Wat bidden wij in de zesde bede?
  48. Wat leert het slot van het Gebed des Heren ons?