Samenvatting van de Christelijke Leer
Vr. 20. Wat was Gods voorzienigheid met betrekking tot de mens in de staat waarin hij was geschapen?
Antw. De voorzienigheid Gods ten aanzien van de mens in de staat waarin hij was geschapen bestond hieruit dat Hij hem in het paradijs plaatste, hem de opdracht gaf om dat te bewerken, en de vrijheid om van de vruchten van de aarde te eten; dat Hij de schepselen onder zijn heerschappij plaatste en het huwelijk als een hulp voor hem verordineerde. Hij gaf hem gemeenschap met Zichzelf. Stelde de sabbat in, en ging een verbond van leven met hem aan, onder voorwaarde van persoonlijke, volmaakte en blijvende gehoorzaamheid Daarvan was de boom des levens de waarborg. Maar Hij verbood hem om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, op straffe des doods.
- Genesis 2:8,15,16.
- Genesis 1:28.
- Genesis 2:18.
- Genesis 1:26-29.
- Genesis 3:8.
- Genesis 2:3.
- Galaten 3:12.
- Romeinen 10:5.
- Genesis 2:9.
- Genesis 2:17.