Laden

Vraag Welke zonden worden er in het negende gebod verboden? van de Grote Westminster Catechismus

Vraag Welke zonden worden er in het negende gebod verboden? van de Grote Westminster Catechismus - antwoord met schriftplaatsen
Vr. 145. Welke zonden worden er in het negende gebod verboden?
Antw. De zonden die in het negende gebod verboden worden zijn: elk afbreuk doen aan de waarheid en de goede naam van onze naaste of aan die van onszelf, in het bijzonder in de openbare rechtspleging; het geven van een vals getuigenis, het omkopen om een vals getuigenis te doen afleggen, het welbewust optreden en pleiten voor een slechte zaak, en daarbij de waarheid trotseren of omverwerpen, het doen van een onrechtvaardige uitspraak, kwaad goed noemen en goed kwaad; het belonen van de bozen naar het werk van de rechtvaardigen, en de rechtvaardigen naar het werk van de bozen; valsheid in geschrifte, het verhelen van de waarheid door ongepast te zwijgen in een rechtvaardige zaak en ons stil te houden wanneer onrecht vraagt om door ons te worden berispt of wanneer een klacht erover bij anderen moet worden ingediend; het ontijdig spreken van de waarheid, of dat kwaadwillig te doen met een boze bedoeling, of de waarheid te verdraaien tot een verkeerde interpretatie, of in twijfelachtige en dubbelzinnige uitdrukkingen tot afbreuk aan de waarheid of het recht; onwaarheid spreken, liegen, smaden, lasteren, iemand bekladden, iets verklikken, roddelen, spotten, smalen overijld, hardvochtig en partijdig straffen, iemands bedoelingen, woorden en daden verkeerd uitleggen; vleien, opgeblazen bluffen, te hoog of te laag van zichzelf of van anderen denken of spreken, de gaven en talenten, van God ontvangen, te loochenen kleine fouten als groot voorstellen; zonden verbergen, verontschuldigen of vergoelijken wanneer men geroepen is ze grif te belijden %; het onnodig blootleggen van iemands zwakheden; valse geruchten verspreiden, het aanhoren en bekrachtigen van kwade berichten over iemand, en onze oren toestoppen voor een rechtvaardige verdediging van hem; wantrouwen; iemand diens welverdiende eer misgunnen of benijden, die proberen of begeren te benadelen; plezier te hebben in iemands oneer en schande + spottende minachting, verdwaasde bewondering het breken van wettig gegeven beloften het veronachtzamen van dingen die goed bekend staan en dingen doen — of in elk geval ze zelf niet vermijden óf zoveel we kunnen in anderen verhinderen — die iemand een slechte naam bezorgen.
  • 1 Samuël 17:28.
  • 2 Samuël 1:9,10,15,16.
  • 2 Samuël 16:3.
  • Leviticus 19:15.
  • Habakuk 1:4.
  • Spreuken 6:16,19.
  • Spreuken 19:5.
  • Handelingen 6:13.
  • Jeremia 9:3,5.
  • Handelingen 24:2,5.
  • Psalm 3:1-4.
  • Psalm 12:3,4.
  • Spreuken 17:15.
  • 1 Koningen 21:9-14.
  • Jesaja 5:23.
  • Psalm 119:69.
  • Lucas 16:5-7.
  • Lucas 19:8.
  • Leviticus 5:1.
  • Handelingen 5:3,8,9.
  • 2 Timoteüs 4:6.
  • 1 Koningen 1:6.
  • Leviticus 19:17.
  • Jesaja 59:4.
  • Spreuken 29:11.
  • 1 Samuël 22:9,10.
  • Psalm 52:1.
  • Psalm 56:5.
  • Johannes 2:19.
  • Mattheüs 26:60,61.
  • Genesis 3:5.
  • Genesis 26:7,9.
  • Jesaja 59:13.
  • Leviticus 19:11.
  • Kolossenzen 3:9.
  • Psalm 50:20.
  • Psalm 15:3.
  • Jakobus 4:11.
  • Jeremia 38:4.
  • Leviticus 19:16.
  • Romeinen 1:29,30.
  • Genesis 21:9.
  • Galaten 4:29.
  • 1 Korintiërs 6:10.
  • Mattheüs 7:1.
  • Handelingen 28:4.
  • Genesis 38:24.
  • Romeinen 2:1.
  • Nehemia 6:6-8.
  • Romeinen 3:8.
  • Psalm 69:10.
  • 1 Samuël 1:13-15.
  • 2 Samuël 10:3.
  • Psalm 12:2,3.
  • 2 Timoteüs 3:2.
  • Lucas 18:9,11.
  • Romeinen 12:16.
  • 1 Korintiërs 4:6.
  • Handelingen 12:22.
  • Exodus 4:10-14.
  • Job 4:6.
  • Job 27:5,6.
  • Mattheüs 7:3-5.
  • Spreuken 28:13.
  • Spreuken 30:20.
  • Genesis 3:12,13.
  • Genesis 4:9.
  • Jeremia 2:35.
  • 2 Koningen 5:25.
  • Genesis 9:22.
  • Spreuken 25:9,10.
  • Exodus 23:1.
  • Spreuken 29:12.
  • Handelingen 7:56,57.
  • Job 31:13,14.
  • 1 Korintiërs 13:5.
  • 1 Timoteüs 6:4.
  • Numeri 11:29.
  • Mattheüs 21:15.
  • Ezra 4:12,13.
  • Jeremia 48:27.
  • Psalm 35:15,16,21.
  • Mattheüs 27:28,29.
  • Judas 1:16.
  • Handelingen 12:22.
  • Romeinen 1:31.
  • 2 Timoteüs 3:3.
  • 1 Samuël 2:24.
  • 2 Samuël 13:12,13.
  • Spreuken 5:8,9.
  • Spreuken 6:33.

Samenvatting van de Christelijke Plichten

Vraag Welke zonden worden er in het negende gebod verboden? van de Grote Westminster Catechismus

Vraag Welke zonden worden er in het negende gebod verboden? van de Grote Westminster Catechismus - antwoord met schriftplaatsen
  1. Wat is de plicht die God aan de mens oplegt?
  2. Wat heeft God eerst aan de mens bekendgemaakt als de regel voor zijn gehoorzaamheid?
  3. Wat is de zedelijke wet?
  4. Heeft de zedelijke wet ook nut voor de mens sinds de zondeval?.
  5. Welk nut heeft de zedelijke wet voor alle mensen?
  6. Welk bijzonder nut heeft de zedelijke wet voor onwedergeboren mensen?
  7. Welk speciaal nut heeft de zedelijke wet voor de wedergeborenen?
  8. Waar is de zedelijke wet kort samengevat?
  9. Welke regels dienen in acht genomen te worden voor een goed verstaan van de Tien Geboden?
  10. Welke bijzondere dingen in de Tien Geboden hebben wij te overwegen?
  11. Wat is de inleiding tot de Tien Geboden?
  12. Wat is de hoofdinhoud van de vier geboden die onze plicht tegenover God omvatten?
  13. Wat is het eerste gebod?
  14. Wat zijn de plichten die het eerste gebod van ons vereist?
  15. Welke zonden worden er in het eerste gebod verboden?
  16. Wat wordt ons speciaal geleerd door de woorden ‚‚voor mijn aangezicht in het eerste gebod?
  17. War is het tweede gebod?
  18. Wat zijn de plichten die in het tweede gebod vereist worden?
  19. Welke zonden worden in het tweede gebod verboden?
  20. Welke gronden zijn er aan het tweede gebod toegevoegd om het kracht bij te zetten?
  21. Wat is het derde gebod?
  22. Wat wordt er geëist in het derde gebod?
  23. Welke zonden worden in het derde gebod verboden?
  24. Welke gronden zijn er aan het derde gebod toegevoegd?
  25. Wat is het vierde gebod?
  26. Wat wordt er in het vierde gebod geëist?
  27. Hoe moet de sabbat of de dag des Heren geheiligd worden?
  28. Waarom is de opdracht om de sabbat te onderhouden meer speciaal gericht tot de gezinshoofden en andere vooraanstaande personen?
  29. Welke zonden worden er in het vierde gebod verboden?
  30. Wat zijn de gronden die aan het vierde gebod zijn toegevoegd om het kracht bij te zetten?
  31. Waarom is het woord gedenk aan het begin van het vierde gebod geplaatst?
  32. Wat is de hoofdinhoud van de zes geboden die onze plicht tegenover onze medemens bevatten?
  33. Wat is het vijfde gebod?
  34. Wie worden er in het vijfde gebod met vader en moeder bedoeld?
  35. Waarom worden meerderen ‚vader en moeder genoemd?
  36. War is de algemene strekking van het vijfde gebod?
  37. Wat is de eer die ondergeschikten aan hun meerderen verschuldigd zijn?
  38. Wat zijn de zonden die ondergeschikten tegen hun meerderen kunnen bedrijven?
  39. Wat wordt er van meerderen tegenover hun ondergeschikten vereist?
  40. Wat zijn de zonden die meerderen kunnen doen?
  41. Wat zijn de plichten die gelijken tegenover elkaar hebben?
  42. Wat zijn de zonden die gelijken elkaar kunnen aandoen?
  43. Welke grond is er aan het vijfde gebod toegevoegd om het meer kracht te geven?
  44. Hoe luidt het zesde gebod?
  45. Welke plichten worden er in het zesde gebod vereist?
  46. Welke zonden worden er in het zesde gebod verboden?
  47. Hoe luidt het zevende gebod?
  48. Wat zijn de plichten die in het zevende gebod vereist worden?
  49. Welke zonden worden er in het zevende gebod verboden?
  50. Hoe luidt het achtste gebod?
  51. Welke plichten worden er in het achtste gebod vereist?
  52. Welke zonden worden er in het achtste gebod verboden?
  53. Hoe luidt het negende gebod?
  54. Welke plichten worden er in het negende gebod vereist?
  55. Welke zonden worden er in het negende gebod verboden?
  56. Hoe luidt het tiende gebod?
  57. Welke plichten worden er in het tiende gebod vereist?
  58. Welke zonden worden er in het tiende gebod verboden?