Laden

Samenvatting van de Christelijke Plichten

Vr. 109. Welke zonden worden in het tweede gebod verboden?

Antw. De zonden die in het tweede gebod verboden zijn: elk verzinnen, aanraden, bevelen, gebruikmaken en op welke manier ook goedvinden van enige vorm van eredienst die niet door God Zelf is ingesteld, het toelaten van een valse godsdienst, het maken van iets dat God, hetzij wat alle drie Personen betreft of één van Hen, zou voorstellen, óf innerlijk in onze geest óf uiterlijk in de vorm van een beeld of gelijkenis van het een of andere schepsel, alle verering daarvan, of het vereren van God daarin en daardoor, het maken van iets dat verzonnen goden zou voorstellen, en alle verering daarvan of dienst eraan, alle bijgelovige verzinselen die de eredienst aan God bederven, iets eraan toevoegen of ervan afnemen, hetzij we dat zelf hebben uitgedacht en ingesteld dan wel als traditie van anderen hebben overgenomen, ook al is het dan onder het etiket van oudheid, gewoonte, vroomheid, goede bedoeling of welk ander voorwendsel ook; verder: simonie, heiligschennis; alle verwaarlozing, verachting, hinderen en weerstaan van de eredienst en de verordeningen die God heeft ingesteld.
  • Numeri 15:39.
  • Deuteronomium 13:6-8.
  • Hosea 5:11.
  • Micha 6:16.
  • 1 Koningen 11:33.
  • 1 Koningen 12:33.
  • Deuteronomium 12:30-32.
  • Deuteronomium 13:6-12.
  • Zacharia 13:2,3.
  • Openbaring 2:2,14,15,20.
  • Openbaring 17:12,16,17.
  • Deuteronomium 4:15-19.
  • Handelingen 17:29.
  • Romeinen 1:21-23,25.
  • Daniël 3:18.
  • Galaten 4:8.
  • Exodus 32:5.
  • Exodus 32:8.
  • 1 Koningen 18:26,28.
  • Jesaja 65:11.
  • Handelingen 17:22.
  • Kolossenzen 2:21-23.
  • Maleachi 1:7,8,14.
  • Deuteronomium 4:2.
  • Psalm 106:39.
  • Mattheüs 15:9.
  • 1 Petrus 1:18.
  • Jeremia 44:17.
  • Jesaja 65:3-5.
  • Galaten 1:13,14.
  • 1 Samuël 13:11,12.
  • 1 Samuël 15:21.
  • Handelingen 8:18.
  • Romeinen 2:22.
  • Maleachi 3:8.
  • Exodus 4:24-26.
  • Mattheüs 22:5.
  • Maleachi 1:7,13.
  • Mattheüs 23:13.
  • Handelingen 13:44,45.
  • 1 Thessalonicenzen 2:15,16.