Laden

2. Zijn vurige verzoek tot verzoening

2. Zijn vurige verzoek tot verzoening

De Som der Zaligmakende Kennis door David Dickson en James Durham, met audio en gratis PDF: een gereformeerde theologische verhandeling over het Evangelie en de zaligheid

De tweede waarborg en bijzondere beweegreden om Christus te omhelzen en in Hem te geloven, is het vurige verzoek dat God aan ons doet om ons met Hem in Christus te verzoenen, zoals gehandhaafd in 2 Korinthe 5:19,20,21.

God was in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft ons het woord der verzoening toevertrouwd. Vers 20. Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: laat u met God verzoenen. Vers 21. Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Waar de apostel ons deze negen leerstukken leert:

Ten eerste, dat de uitverkoren wereld, of de wereld der verloste zielen, van nature in een staat van vijandschap tegen God verkeert: dit wordt verondersteld in het woord verzoening; want verzoening, of vernieuwing van vriendschap, kan alleen plaatsvinden tussen hen die vijandig geweest zijn.

Ten tweede, dat Christus Jezus, de eeuwige Zoon van God, gedurende de gehele voorbije tijd, sedert de val van Adam, als Middelaar, en de Vader in Hem, vriendschap gemaakt heeft (door Zijn woord en Geest) tussen Zich en de uitverkoren wereld: God (zegt Hij) was in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende.

Ten derde, dat de weg der verzoening in alle eeuwen één en dezelfde geweest is wat de zaak betreft, namelijk het vergeven der zonden van hen die hun zonden en hun vijandschap tegen God erkennen, en verzoening en vergeving der zonden in Christus zoeken: Want God (zegt Hij) was in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.

Ten vierde, dat het doel en de strekking van het evangelie, en van het gehele Woord Gods, drieledig is: (1.) Het dient om personen bewust te maken van hun zonden en van hun vijandschap tegen God, en van het gevaar waarin zij verkeren indien zij afzijdig blijven en het mishagen Gods niet vrezen. (2.) Het Woord Gods dient om de mensen bekend te maken met de weg die God bereid heeft om vriendschap met hen te sluiten door Christus, namelijk dat, indien de mensen de vijandschap erkennen, en zich tevreden stellen een verbond van vriendschap met God aan te gaan door Christus, God Zich dan tevreden zal stellen Zich vrijelijk met hen te verzoenen. (3.) Het Woord Gods dient om de mensen te leren hoe zij zich, als vrienden, jegens God moeten gedragen, nadat zij zich met Hem verzoend hebben, namelijk niet tegen Hem te zondigen, en zich van harte te beijveren Zijn geboden te gehoorzamen: en daarom wordt het Woord Gods hier het woord der verzoening genoemd, omdat het ons leert welke behoefte wij aan verzoening hebben, en hoe die te bewerkstelligen, en hoe de verzoening der vriendschap, met God door Christus gesloten, te bewaren.

Ten vijfde, dat, ofschoon het horen, geloven en gehoorzamen van dit woord aan allen behoort tot wie dit evangelie komt; het ambt om het met gezag te prediken toch aan niemand behoort, dan alleen aan hen die God tot Zijn dienst roept en met een last voor dit werk zendt. Dit houdt de apostel staande, vers 19, in deze woorden: Hij heeft ons het woord der verzoening toevertrouwd.

Ten zesde, dat de dienaren van het evangelie zich moeten gedragen als gezanten van Christus, en nauwgezet hun in het Woord vastgestelde last moeten volgen, Matteüs 28:19,20; en wanneer zij dit doen, moeten zij door het volk ontvangen worden als gezanten Gods; want hier zegt de apostel, in aller naam: Wij zijn gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade.

Ten zevende, dat de dienaren, met alle ernst van gemoed, met het volk moeten handelen opdat het zijn zonden en zijn natuurlijke vijandschap tegen God meer en meer ernstig erkenne; en opdat het meer en meer oprecht instemme met het verbond der genade en de omhelzing van Christus; en opdat het meer en meer duidelijk bewijs geve van zijn verzoening, door een heilige wandel voor God. Dit houdt hij staande wanneer hij zegt: Wij bidden u dat gij u met God laat verzoenen.

Ten achtste, dat in het liefdevolle handelen van de dienaren met het volk, dit moet overwegen dat het met God en met Christus te doen heeft, Die hen, door de dienaren, vragen zich te verzoenen. Nu kan er geen groter aansporing zijn om het harde hart van een zondaar te breken, dan dat God hem om vriendschap vraagt; want wanneer het ons, die God zoveel onrecht aangedaan hebben, zou passen de vriendschap Gods te zoeken, verhindert Hij ons dit; en (o wonder der wonderen!) vraagt Hij ons Zich tevreden te stellen met verzoening met Hem; en daarom moet de meest te vrezen toorn wonen bij hen die zich aan het licht stellen door dit verzoek, en niet toegeven wanneer zij de dienaren, met een last, horen zeggen: Wij zijn gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade: wij bidden u in Christus' naam, laat u met God verzoenen.

Ten negende, opdat men zie hoe het komt dat het verbond der verzoening zo gemakkelijk tot stand komt tussen God en een ootmoedige zondaar die tot Christus vlucht, leidt de apostel ons tot de oorzaak daarvan, uiteengezet in het verbond der verlossing, welks inhoud deze is: "Er is overeengekomen tussen God en de Middelaar Jezus Christus, de Zoon van God, borg voor de verlosten, als contracterende partijen, dat de zonden der verlosten aan de onschuldige Christus toegerekend zouden worden, en dat Hij daarvoor veroordeeld en gedood zou worden, onder deze zelfde voorwaarde, dat wie van harte instemt met het verbond der verzoening, door Christus aangeboden, door de toerekening van Zijn gehoorzaamheid aan hem, gerechtvaardigd en rechtvaardig geacht zal worden voor God; want God heeft Christus, Die geen zonde gekend heeft, zonde voor ons gemaakt, zegt de apostel, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem."

Daarom kan een zwakke gelovige zijn geloof versterken, van deze grondslag aldus redenerende:

"Hij die, door het liefdevolle verzoek van God en van Christus, tot hem gedaan door de mond der dienaren, (die daartoe een last hebben,) de aanbieding van eeuwigdurende verzoening door Christus omhelsd heeft, en zich, door de genade Gods, als een verzoend persoon voorneemt tegen de zonde te strijden, en God met zijn vermogen bestendig te dienen, kan even zeker zijn dat hem gerechtigheid en het eeuwige leven gegeven zal worden, door de hem toegerekende gehoorzaamheid van Christus, als het zeker is dat Christus veroordeeld en ter dood gebracht is voor de Hem toegerekende zonden der verlosten:

"Maar ik (mag de zwakke gelovige zeggen) heb, door het liefdevolle verzoek van God en van Christus, tot mij gedaan door de mond Zijner dienaren, de aanbieding van eeuwigdurende verzoening door Christus omhelsd, en neem mij, door de genade Gods, als een verzoend persoon voor, tegen de zonde te strijden, en God met mijn vermogen bestendig te dienen:

"Daarom kan ik even zeker zijn dat mij gerechtigheid en het eeuwige leven gegeven zal worden, door de mij toegerekende gehoorzaamheid van Christus, als het zeker is dat Christus veroordeeld en gedood is voor de Hem toegerekende zonden der verlosten."