1. De overtuiging van de verplichting van de gelovige om de zedelijke wet te houden
1. De overtuiging van de verplichting van de gelovige om de zedelijke wet te houden
De Som der Zaligmakende Kennis door David Dickson en James Durham, met audio en gratis PDF: een gereformeerde theologische verhandeling over het Evangelie en de zaligheid
Om ten eerste, dat wil zeggen, om de gelovige, in zijn oordeel, te overtuigen van zijn verplichting de zedelijke wet te houden, neme men, onder vele andere plaatsen, Matteüs 5:16.
Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. Vers 17. Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. Vers 18. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Vers 19. Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie deze zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. Vers 20. Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Waarin onze Heere,
1. Aan de gelovigen, door het geloof gerechtvaardigd, het gebod geeft, voor de mensen bewijs te geven van de genade Gods in hen, door goede werken te doen: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen (zegt Hij) dat zij uw goede werken mogen zien.
2. Beweegt Hij hen daartoe, tonende dat, ofschoon zij niet door de werken gerechtvaardigd worden, de aanschouwers van hun goede werken bekeerd of gesticht kunnen worden; en zo de heerlijkheid aan God kan toevloeien om hun goede werken, wanneer de getuigen daarvan uw Vader verheerlijken, Die in de hemelen is.
3. Geeft Hij hun geen andere regel voor hun nieuwe gehoorzaamheid dan de zedelijke wet, gegeven en verklaard door Mozes en de profeten: Meent niet (zegt Hij) dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden.
4. Geeft Hij hun te verstaan dat de leer der genade en der bevrijding van de vloek der wet door het geloof in Hem, licht door de verdorven oordelen der mensen verward wordt, alsof zij de verplichting der gelovigen zou verminderen of wegnemen om de geboden te gehoorzamen en aan het gezag der wet onderworpen te zijn; en dat deze dwaling inderdaad een ontbinding is van de wet en de profeten, welke Hij in geen van Zijn discipelen in enig opzicht zal dulden, aangezien dit zo strijdig is met het doel van Zijn komst, hetwelk is de gelovigen eerst te heiligen en dan zalig te maken: Meent niet (zegt Hij) dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden.
5. Leert Hij dat het doel van het evangelie en het verbond der genade is, de gehoorzaamheid der mensen aan de zedelijke wet te bewerken: Ik ben gekomen (zegt Hij) om de wet en de profeten te vervullen.
6. Dat de verplichting van de zedelijke wet, in al haar delen, tot alle heilige plichten, blijvend is, en zal voortduren tot het einde der wereld, dat is, totdat hemel en aarde voorbijgaan.
7. Dat, zoals God van het begin af zorg gedragen heeft voor de Schriften, Hij ook zorg zal dragen voor deze tot het einde der wereld, opdat niet één jota of tittel van haar wezen wegvalle; zo zegt het de tekst, vers 18.
8. Dat, zoals het overtreden van de zedelijke wet, en het verdedigen van overtredingen daarvan alsof zij geen zonde waren, de mensen van de hemel uitsluit, en rechtvaardig ook van de gemeenschap der ware kerk; zo bewijst ook de gehoorzaamheid aan de wet, en het leren van anderen om hetzelfde te doen, door voorbeeld, raad en leer, naar ieders roeping, dat een mens een waar gelovige is, en zeer geacht is bij God, en waardig zeer geacht te worden door de ware kerk, vers 19.
9. Dat de gerechtigheid van iedere waarachtige christen meer moet zijn dan de gerechtigheid der Schriftgeleerden en Farizeën; want de Schriftgeleerden en Farizeën, ofschoon zij zich beijverden verscheidene plichten der wet te vervullen, verkortten de uitlegging daarvan, om hun praktijk minder te veroordelen; zij bestudeerden het uitwendige deel van de plicht, maar verwaarloosden het innerlijke en geestelijke deel; zij vervulden zorgvuldig enige geringere plichten, maar verwaarloosden het oordeel, de barmhartigheid en de liefde Gods: kortom, zij legden zich toe op het oprichten van hun eigen gerechtigheid, en verwierpen de gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus. Maar een waar christen moet meer dan dit alles hebben; hij moet de volle omvang van de geestelijke betekenis der wet erkennen, en eerbied hebben voor alle geboden, en zich beijveren zich te reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en geen gewicht leggen op de dienst die hij gedaan heeft, of zal doen, maar zich bekleden met de toegerekende gerechtigheid van Christus, welke alleen zijn naaktheid kan bedekken, of anderszins kan hij niet zalig worden; zo zegt de tekst: Tenzij uw gerechtigheid, enz.