Laden

4. Nauwe gemeenschap onderhouden met Christus, de bron van alle genade en goede werken

4. Nauwe gemeenschap onderhouden met Christus, de bron van alle genade en goede werken

De Som der Zaligmakende Kennis door David Dickson en James Durham: een gereformeerde theologische verhandeling over het Evangelie en de zaligheid

Het vierde vereiste om het ware geloof te bewijzen, is een nauwe gemeenschap te onderhouden met Christus, de bron van alle genade en van alle goede werken, zoals gezegd wordt Johannes 15:5.

Ik ben de Wijnstok, gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.

De gelijkenis van de wijnstok leert ons het volgende

1. Dat wij van nature onvruchtbare doornstruiken zijn, totdat wij veranderd worden door tot Christus te komen; en dat Christus die edele wijnstok is, Die alle leven en sap der genade in Zichzelf heeft, en in staat is de natuur te veranderen van een ieder die tot Hem komt, en geest en leven mede te delen aan allen die in Hem geloven: Ik ben de Wijnstok (zegt Hij) en gij de ranken.

2. Dat het Christus behaagt de gelovigen zo aan Zich verbonden te hebben, dat zij zich op geen enkel ogenblik door ongeloof afscheiden; en dat er een wederzijds blijven zij van hen in Hem, door het geloof en de liefde; en van Hem in hen, door Zijn Woord en Zijn Geest; want Hij verenigt hen: Indien gij in Mij blijft, en Ik in u, als onafscheidelijke dingen.

3. Dat, indien een mens niet in Christus geënt en met Hem verenigd is door het geloof, hij niet het minste goede werk kan doen door eigen kracht; ja, tenzij een mens door het geloof geest en leven van Christus verkrijgt, is het werk dat hij doet kwaad en nietig wat de goedheid betreft, naar Gods oordeel: Want zonder Mij (zegt Hij) kunt gij niets doen.

4. Dat deze wederzijdse inwoning de bron en de onfeilbare oorzaak is om standvastig voort te gaan en overvloedig te zijn in het goede: Want die in Mij blijft, en Ik in hem, (zegt Hij) die draagt veel vrucht. Nu, aangezien ons blijven in Christus drie dingen onderstelt: 1. Dat wij het blijde geluid van het Evangelie gehoord hebben, dat ons Christus aanbiedt, wij verloren zondaars door de wet zijnde; 2. Dat wij het aanbod van genade van Christus van harte omhelsd hebben; 3. Dat wij, Hem ontvangende, kinderen Gods geworden zijn, Johannes 1:12, en ingelijfd zijn in Zijn geestelijk lichaam, opdat Hij in ons wone, als Zijn tempel, en wij in Hem, als in de woonplaats der gerechtigheid en des levens: zo houdt ons blijven in Christus nog drie andere dingen in: 1. Een aanwenden van Christus in al onze richtingen tot God, en in al onze ondernemingen, van welk deel van dienst ook aan Hem. 2. Een tevredenheid met Zijn genoegzaamheid, zonder van Hem af te wijken om gerechtigheid, of leven, of toerusting te zoeken in enig geval, in onze eigen waarde of in die van enig schepsel. 3. Een standvastigheid in ons geloof in Hem, een standvastigheid in ons gebruik en aanwending van Hem, en een standvastigheid in onze vergenoeging in Hem, en in onze gehechtheid aan Hem, zodat geen verleiding, geen verzoeking van Satan of de wereld, geen verschrikking of moeilijkheid, onze geesten kan aftrekken van de standvastige gehechtheid aan Hem, of van de gestadige belijdenis van Zijn waarheid, en de gehoorzaamheid aan Zijn geboden, Die ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons overgegeven heeft; en in Wie niet alleen ons leven weggelegd is, maar in Wie ook lichamelijk woont de volheid der Godheid, door de wezenlijke en persoonlijke vereniging van de goddelijke en menselijke natuur in Hem.

Laat daarom iedere waakzame gelovige, om zich in geloof en gehoorzaamheid te versterken, aldus redeneren:

"Wie dagelijks Christus Jezus aanwendt om zijn geweten en zijn genegenheden te reinigen van de schuld en de onreinheid der zonden tegen de wet, en om hem te bekwamen de wet in liefde te gehoorzamen, heeft het bewijs van het ware geloof in zichzelf:

"Maar ik (mag iedere waakzame gelovige zeggen) wend dagelijks Jezus Christus aan om mijn geweten en mijn genegenheden te reinigen van de schuld en de onreinheid der zonden tegen de wet, en om mij te bekwamen de wet in liefde te gehoorzamen:

"Daarom heb ik het bewijs van het ware geloof in mijzelf.

En laat daarom ook de sluimerende en trage gelovige, tot zijn eigen oprichting, aldus redeneren:

"Alles wat nodig is om het ware geloof te bewijzen, beijver ik mij te doen, tenzij ik mijzelf bedrieg en verga:

"Maar Jezus Christus dagelijks aan te wenden om mijn geweten en mijn genegenheden te reinigen van de schuld en de onreinheid der zonden tegen de wet, en om mij te bekwamen de wet in liefde te gehoorzamen, is nodig om het ware geloof in mij te bewijzen:

"Daarom moet ik mij beijveren dit te doen, tenzij ik mijzelf bedrieg en verga."