Laden

III - Het verbond van 1638

III - Het verbond van 1638

Het Nationaal Verbond van Schotland (National Covenant, 1638), volledige tekst met gratis PDF: de Geloofsbelijdenis van 1581, de wetten van het Parlement en het verbond van 1638

Wij, de ondergetekende edelen, baronnen, ridders, burgers, dienaren des Woords en gewone lieden, overwegende op onderscheidene vroegere tijden, en inzonderheid op deze tijd, het gevaar van de ware gereformeerde religie, van de eer des Konings en van de openbare vrede van het koninkrijk, door de menigvuldige vernieuwingen en kwaden, in het algemeen vervat en in het bijzonder vermeld in onze jongste smeekschriften, klachten en protesten; belijden hierbij, en verklaren plechtig voor God, Zijn engelen en de wereld, dat wij met ons ganse hart instemmen, en besluiten al de dagen van ons leven standvastig aan de voornoemde ware religie te blijven vasthouden en haar te verdedigen, en (ons onthoudende van de beoefening van alle nieuwigheden die reeds in de zaken van de dienst Gods ingevoerd zijn, en van de goedkeuring van de verdorvenheden van de openbare regering van de kerk, of van de burgerlijke ambten en de macht van de kerkelijke personen, totdat zij in vrije Assemblees en in het Parlement onderzocht en toegelaten zijn) te arbeiden, door alle wettige middelen, om de zuiverheid en de vrijheid van het Evangelie te herwinnen, zoals het ingesteld en beleden was vóór de voornoemde nieuwigheden. En omdat wij, na behoorlijk onderzoek, duidelijk bemerken en zonder enige twijfel geloven dat de vernieuwingen en kwaden, vervat in onze smeekschriften, klachten en protesten, geen machtiging hebben uit het woord Gods, strijdig zijn met de artikelen van de voornoemde Belijdenis, met de bedoeling en de zin van de gezegende hervormers van de religie in dit land en met de hierboven geschreven wetten van het Parlement, en kennelijk strekken tot het herstel van de pausgezinde religie en tirannie, en tot de omverwerping en ondergang van de ware gereformeerde religie, en van onze vrijheden, wetten en staten; zo verklaren wij ook dat de voornoemde Belijdenissen uitgelegd moeten worden, en verstaan behoren te worden, van de voornoemde nieuwigheden en kwaden, niet minder dan of elk daarvan in de voornoemde Belijdenissen uitgedrukt ware geweest; en dat wij verplicht zijn die te verfoeien en te verafschuwen, onder de andere bijzondere hoofdstukken van pausdom die daarin afgezworen zijn. En daarom, uit de kennis en het besef van onze plicht jegens God, jegens onze Koning en ons land, zonder enig werelds aanzien of beweegreden, voor zover de menselijke zwakheid het toelaat, begerende tot dit einde een grotere mate van de genade Gods, beloven en zweren wij, bij de GROTE NAAM VAN DE HEERE ONZE GOD, te volharden in de belijdenis en gehoorzaamheid van de voornoemde religie; en dat wij dezelve zullen verdedigen, en al deze tegenstrijdige dwalingen en verdorvenheden zullen weerstaan, naar onze roeping en naar het uiterste van de macht die God in onze handen gelegd heeft, al de dagen van ons leven.

En op gelijke wijze, met hetzelfde hart, verklaren wij voor God en de mensen dat wij geen voornemen noch verlangen hebben om iets te ondernemen dat tot oneer van God, of tot vermindering van de grootheid en het gezag des Konings zou kunnen strekken; maar integendeel beloven en zweren wij dat wij, naar ons uiterste vermogen, met onze middelen en levens, zullen staan voor de verdediging van onze geduchte soeverein, de Majesteit des Konings, zijn persoon en gezag, in de verdediging en bewaring van de voornoemde ware religie, vrijheden en wetten van het koninkrijk; alsook voor de wederzijdse verdediging en bijstand van een ieder van ons aan de anderen, in dezelfde zaak van de handhaving van de ware religie en van het gezag van Zijne Majesteit, met onze beste raad, onze lichamen, middelen en al onze macht, tegen allerlei personen, wie zij ook zijn; zodat al wat aan de minste van ons om die zaak gedaan wordt, gehouden zal worden als gedaan aan ons allen in het algemeen en aan een ieder van ons in het bijzonder. En dat wij ons noch rechtstreeks noch zijdelings zullen laten verdelen of aftrekken, door enige inblazing, samenspanning, verlokking of verschrikking, van deze gezegende en loyale verbintenis; noch enig beletsel of hinder in de weg zullen leggen dat enig besluit zou kunnen tegenhouden of verhinderen, dat met gemeenschappelijke instemming bevonden wordt tot zulke goede einden te dienen; maar integendeel door alle wettige middelen zullen arbeiden om het te bevorderen en voort te zetten: en indien ons enig dergelijk gevaarlijk en verdeeldheid zaaiend voorstel gedaan wordt, met woord of geschrift, zullen wij, en een ieder van ons, het ofwel onderdrukken of, indien nodig, het onverwijld bekendmaken, opdat het tijdig tegengegaan worde. Noch vrezen wij de snode lasteringen van rebellie, samenspanning of wat anders onze tegenstanders, uit hun listigheid en boosheid, ons zouden willen aanwrijven; aangezien hetgeen wij doen zo wel gewettigd is, en voortkomt uit een ongeveinsd verlangen om de ware dienst van God, de majesteit van onze Koning en de vrede van het koninkrijk te handhaven, tot het gemeenschappelijk geluk van onszelf en van ons nageslacht. En omdat wij de zegen van God over onze handelingen niet kunnen verwachten, tenzij wij met onze belijdenis en ondertekening zulk een leven en wandel verbinden als christenen betaamt die hun verbond met God vernieuwd hebben; zo beloven wij daarom getrouw, voor onszelf, voor hen die ons volgen en voor allen die onder ons staan, zowel in het openbaar als in onze bijzondere huisgezinnen en in onze persoonlijke wandel, ons te beijveren om ons binnen de grenzen van de christelijke vrijheid te houden, en om anderen goede voorbeelden te zijn van alle godzaligheid, matigheid en gerechtigheid, en van alle plicht die wij God en de mensen verschuldigd zijn.

En opdat deze onze unie en verbintenis zonder schending onderhouden worde, roepen wij de LEVENDE GOD, DE DOORZOEKER VAN ONZE HARTEN, tot getuige, Die weet dat dit onze oprechte begeerte en ons ongeveinsd besluit is, zoals wij JEZUS CHRISTUS zullen antwoorden op de grote dag, en op straffe van de eeuwige toorn Gods, en van schande en verlies van alle eer en achting in deze wereld: zeer ootmoedig de HEERE smekende dat Hij ons tot dit einde wil versterken door Zijn HEILIGE GEEST, en onze begeerten en handelingen wil zegenen met een gelukkige uitkomst; opdat de religie en de gerechtigheid in het land mogen bloeien, tot heerlijkheid van GOD, tot eer van onze Koning, en tot vrede en vertroosting van ons allen. Ten getuigenis waarvan wij al het voorgaande met onze handen ondertekend hebben.