II - De wetten van het Parlement
II - De wetten van het Parlement
Het Nationaal Verbond van Schotland (National Covenant, 1638), volledige tekst met gratis PDF: de Geloofsbelijdenis van 1581, de wetten van het Parlement en het verbond van 1638
INSGELIJKS schaffen vele wetten van het Parlement niet alleen in het algemeen af, vernietigen en herroepen zij alle wetten, statuten, akten, constituties, burgerlijke of gemeentelijke canons, met alle andere verordeningen en straffen van de rechtspraktijk, hoedanig ook, gemaakt ten nadele van de ware religie en van haar belijders; of van de ware kerk, haar tucht, rechtsmacht en vrijheid; of ten gunste van de afgoderij en het bijgeloof, of van de pausgezinde kerk: zoals Wet 3, Wet 31, Parl. 1; Wet 23, Parl. 11; Wet 114, Parl. 12 van koning Jacobus VI, opdat het pausdom en het bijgeloof geheel onderdrukt worden, overeenkomstig de bedoeling van de wetten van het Parlement, herhaald in de vijfde Wet, Parl. 20, van koning Jacobus VI. En tot dat einde verordenen zij dat alle pausgezinden en priesters gestraft zullen worden met menigvuldige burgerlijke en kerkelijke straffen, als tegenstanders van de ware religie Gods, gepredikt en bij de wet ingesteld binnen dit koninkrijk, Wet 24, Parl. 11, van koning Jacobus VI; als gemeenschappelijke vijanden van alle christelijke regering, Wet 18, Parl. 16, van koning Jacobus VI; als rebellen en weerstaanders van het gezag van onze Soevereine Heer, Wet 47, Parl. 3, van koning Jacobus VI; en als afgodendienaars, Wet 104, Parl. 7, van koning Jacobus VI. Maar ook in het bijzonder, benevens en boven de Geloofsbelijdenis, schaffen zij het gezag en de rechtsmacht van de paus af en veroordelen die, en bannen die uit dit land, en verordenen dat de voorstanders daarvan gestraft zullen worden, Wet 2, Parl. 1; Wet 51, Parl. 3; Wet 106, Parl. 7; Wet 114, Parl. 12, van koning Jacobus VI: veroordelen zij de dwalende leer van de paus, of enige andere dwalende leer, strijdig met enig artikel van de ware en christelijke religie, openlijk gepredikt en bij de wet ingesteld in dit koninkrijk; en verordenen zij dat de verspreiders en makers van boeken of schotschriften, of van brieven of geschriften van die aard, gestraft zullen worden, Wet 46, Parl. 3; Wet 106, Parl. 7; Wet 24, Parl. 11, van koning Jacobus VI: veroordelen zij alle doop naar de wijze van de kerk van de paus, en de afgoderij van de mis; en verordenen zij dat allen die de mis lezen, die haar moedwillig bijwonen en die haar verhelen, de voorstanders en verbergers van de priesters, van de jezuïeten en van de samenspannende pausgezinden, gestraft zullen worden zonder enige uitzondering of beperking, Wet 5, Parl. 1; Wet 120, Parl. 12; Wet 164, Parl. 13; Wet 193, Parl. 14; Wet 1, Parl. 19; Wet 5, Parl. 20, van koning Jacobus VI: veroordelen zij alle dwalende boeken en geschriften die dwalende leer bevatten tegen de thans beleden religie, of die bijgelovige pausgezinde riten en ceremoniën bevatten, waardoor het volk grotelijks misleid wordt; en verordenen zij dat wie ze in het koninkrijk binnenbrengen gestraft zullen worden, Wet 25, Parl. 11, van koning Jacobus VI: veroordelen zij de gedenktekenen en de droesem van de vroegere afgoderij, zoals het gaan naar de kruisen, het onderhouden van de feestdagen der heiligen en andere dergelijke bijgelovige en pausgezinde riten, tot oneer van God, tot verachting van de ware religie en tot voeding van grote dwaling onder het volk; en verordenen zij dat wie ze in acht nemen bij de tweede overtreding als afgodendienaars gestraft zullen worden, Wet 104, Parl. 7, van koning Jacobus VI.
Insgelijks zijn vele wetten van het Parlement opgesteld tot handhaving van de ware en christelijke religie Gods en van haar zuiverheid, in de leer en de sacramenten van de ware kerk Gods, van haar vrijheid en vrijdom in haar nationale en synodale vergaderingen, presbyteriën en kerkenraden, en van haar regering, tucht en rechtsmacht; zoals die zuiverheid van religie en vrijheid van de kerk gebruikt, beleden, uitgeoefend, gepredikt en betuigd werd, overeenkomstig de hervorming van de religie in dit koninkrijk: zoals bijvoorbeeld Wet 99, Parl. 7; Wet 25, Parl. 11; Wet 114, Parl. 12; Wet 160, Parl. 13 van koning Jacobus VI, bekrachtigd door Wet 4 van koning Karel. Zodat Wet 6, Parl. 1, en Wet 68, Parl. 6 van koning Jacobus VI, in het jaar onzes Heeren 1579, verklaren dat de dienaren van het gezegende evangelie, die God in Zijn barmhartigheid verwekt had of hierna verwekken zou, en die overeenstemden met hen die toen leefden in de leer en in de bediening van de sacramenten; en het volk dat Christus beleed zoals Hij toen in het evangelie aangeboden werd, en dat gemeenschap heeft aan de heilige sacramenten (zoals die thans in de gereformeerde kerken van dit koninkrijk bediend werden) overeenkomstig de Geloofsbelijdenis, de ware en heilige kerk van Christus Jezus binnen dit koninkrijk zijn. En zij bepaalt en verklaart dat allen en een ieder die ofwel het woord van het evangelie tegenspreken, ontvangen en goedgekeurd zoals de hoofdstukken van de Geloofsbelijdenis het meer in het bijzonder uitdrukken, beleden in het Parlement in het jaar onzes Heeren 1560, ook gespecificeerd in het eerste Parlement van koning Jacobus VI en bekrachtigd in dit tegenwoordige Parlement; ofwel de bediening van de heilige sacramenten, zoals die toen bediend werden, verwerpen; geen leden zijn van genoemde kerk binnen dit koninkrijk en van de thans beleden ware religie, zolang zij zich aldus afgescheiden houden van de gemeenschap van het lichaam van Christus. En de daaropvolgende Wet, de 69e, Parl. 6 van koning Jacobus VI, verklaart dat er geen andere gedaante van kerk noch andere gedaante van religie is dan die welke thans te dien tijde, door de gunst Gods, binnen dit koninkrijk ingesteld was: „Welke daarom altijd genoemd wordt de ware religie Gods, de ware religie van Christus, de ware en christelijke religie, en een volmaakte religie”; welke allen binnen dit koninkrijk, door menigvuldige wetten van het Parlement, verplicht zijn te belijden, haar artikelen, de Geloofsbelijdenis, te ondertekenen, en alle leer en dwalingen, strijdig met enig van genoemde artikelen, te herroepen, Wet 4 en 9, Parl. 1; Wetten 45, 46, 47, Parl. 3; Wet 71, Parl. 6; Wet 106, Parl. 7; Wet 24, Parl. 11; Wet 123, Parl. 12; Wet 194 en 197, Parl. 14 van koning Jacobus VI. En aan alle overheden, sheriffs, enz., wordt enerzijds bevolen alle overtreders op te sporen, te vatten en te straffen: bijvoorbeeld Wet 5, Parl. 1; Wet 104, Parl. 7; Wet 25, Parl. 11, van koning Jacobus VI; en dit niettegenstaande enige andersluidende vergunningen van de Majesteit des Konings, welke herroepen en van generlei kracht verklaard worden, voor zover zij op enigerlei wijze strekken tot nadeel en verhindering van de uitvoering van de wetten van het Parlement tegen de pausgezinden en tegenstanders van de ware religie, Wet 106, Parl. 7, van koning Jacobus VI. Anderzijds wordt in Wet 47, Parl. 3, van koning Jacobus VI verklaard en verordend, aangezien de zaak van de ware religie Gods en het gezag van Zijne Hoogheid zo verbonden zijn dat de schade van de ene aan beide gemeen is, dat niemand gehouden zal worden voor een loyaal en getrouw onderdaan van onze soevereine Heer of van zijn gezag, maar strafbaar zal zijn als rebel en weerstaander van hetzelve, die niet zijn belijdenis aflegt en openlijk verklaart genoemde ware religie te belijden: en dat zij die, na afval, de belijdenis van hun geloof opnieuw afleggen, zullen beloven daarin voortaan te volharden, het gezag van onze soevereine Heer te handhaven en, naar hun uiterste vermogen, de ware predikers en belijders van de religie van Christus te versterken, bij te staan en te handhaven tegen alle vijanden en weerstaanders van dezelve, wie zij ook zijn; en met name tegen allen, van welke natie, staat of graad zij ook zijn, die zich verenigd of verbonden hebben, of bijgestaan hebben of bijstaan, om de wrede decreten van het concilie van Trente te bevorderen en uit te voeren, strijdig met de ware predikers en belijders van het woord Gods; hetgeen woord voor woord herhaald wordt in de artikelen van de pacificatie van Perth, van 23 februari 1572, goedgekeurd door het Parlement op de laatste dag van april 1573, bekrachtigd in het Parlement van 1587, en aangehaald in Wet 123, Parl. 12 van koning Jacobus VI; met deze toevoeging: „Dat zij verplicht zijn alle verraderlijke oproeren en vijandelijkheden te weerstaan, verwekt tegen de ware religie, de Majesteit des Konings en de ware belijders”.
Insgelijks zijn alle onderdanen verplicht de koninklijke persoon en het gezag van de Majesteit des Konings te handhaven, het gezag van de Parlementen, zonder hetwelk geen wetten noch wettige rechtbanken ingesteld kunnen worden, Wet 130 en 131, Parl. 8, van koning Jacobus VI, en de vrijheden van de onderdanen, die alleen behoren te leven en geregeerd te worden door de wetten des Konings, de gemene wetten van dit koninkrijk en die alleen, Wet 48, Parl. 3, van koning Jacobus I; Wet 79, Parl. 6, van koning Jacobus IV; herhaald in Wet 131, Parl. 8, van koning Jacobus VI; welke, indien zij veranderd en geschonden werden, „zoals de commissie aangaande de unie van de twee koninkrijken Schotland en Engeland verklaart, hetwelk de enige wet is van het Parl. 17 van koning Jacobus VI”, zulk een verwarring zou volgen dat dit koninkrijk niet langer een vrije monarchie zou kunnen zijn: want door de fundamentele wetten, oude voorrechten, ambten en vrijheden van dit koninkrijk is niet alleen gedurende deze vele eeuwen het vorstelijk gezag van het koninklijk geslacht van Zijne Majesteit gehandhaafd, maar ook de zekerheid van het volk in zijn landerijen, inkomsten, rechten, ambten, vrijheden en waardigheden bewaard. En daarom is, tot bewaring van genoemde ware religie en van de wetten en vrijheden van dit koninkrijk, gestatueerd bij Wet 8, Parl. 1, herhaald in Wet 99, Parl. 7, bekrachtigd in Wet 23, Parl. 11, en in Wet 114, Parl. 12, van koning Jacobus VI, en in Wet 4, Parl. 1, van koning Karel I: „Dat alle koningen en vorsten, bij hun kroning en ontvangst van hun vorstelijk gezag, hun getrouwe belofte zullen doen bij hun plechtige eed, in de tegenwoordigheid van de eeuwige God, dat zij, gedurende de gehele tijd van hun leven, diezelfde eeuwige God zullen dienen, naar hun uiterste vermogen, zoals Hij het geëist heeft in Zijn allerheiligst woord, vervat in het Oude en het Nieuwe Testament; en dat zij, overeenkomstig datzelfde woord, de ware religie van Christus Jezus zullen handhaven, de prediking van Zijn heilig woord, de behoorlijke en rechte bediening van de sacramenten die nu binnen dit koninkrijk ontvangen en gepredikt worden (overeenkomstig de onmiddellijk voorafgaande Geloofsbelijdenis), en alle valse religie, daarmee strijdig, zullen afschaffen en weerstaan; en dat zij het volk, aan hun zorg toevertrouwd, zullen regeren overeenkomstig de wil en het gebod van God, geopenbaard in Zijn voornoemd woord, en overeenkomstig de prijzenswaardige wetten en constituties, in dit koninkrijk ontvangen, in geen enkel opzicht strijdig met genoemde wil van de eeuwige God; en dat zij, naar hun uiterste vermogen, de kerk Gods en het gehele christenvolk ware en volmaakte vrede zullen verschaffen in alle toekomende tijd: en dat zij zorg zullen dragen om uit hun rijk alle ketters en vijanden van de ware dienst van God uit te roeien, die door de ware kerk Gods van de voornoemde misdaden overtuigd zullen zijn”. Hetwelk ook door Zijne Majesteit in acht genomen werd bij zijn kroning te Edinburgh in 1633, zoals te zien is in de orde van de kroning. In gehoorzaamheid aan het gebod van God, overeenkomstig de praktijk van de godvrezenden in vroegere tijden, en naar het prijzenswaardige voorbeeld van onze waardige en godvrezende voorvaderen, en van velen die nog onder ons leven, hetwelk ook gewettigd werd door een akte van de raad, die gebood dat een algemene verbintenis gemaakt en ondertekend zou worden door de onderdanen van Zijne Majesteit van alle rangen, om twee redenen: de ene was om de ware religie te verdedigen, zoals die toen hervormd was en uitgedrukt is in de hierboven geschreven Geloofsbelijdenis, en in een vroegere, uitvoeriger Belijdenis, ingesteld door onderscheidene wetten van wettige Generale Assemblees en van Parlementen, waarop zij betrekking heeft, uiteengezet in openbare Catechismussen; en die vele jaren lang, met zegen van de hemel, in deze kerk en dit koninkrijk gepredikt en beleden is als de ontwijfelbare waarheid Gods, alleen gegrond op Zijn geschreven woord. De andere reden was om de Majesteit des Konings, zijn persoon en staat, te handhaven; daar de ware dienst van God en het gezag des Konings zo nauw verbonden waren dat zij dezelfde vrienden en gemeenschappelijke vijanden hadden, en tezamen stonden en vielen. En ten slotte, overtuigd zijnde in onze gemoederen en belijdende met onze monden dat de tegenwoordige en volgende geslachten in dit land verplicht zijn de voornoemde nationale eed en ondertekening onschendbaar te bewaren.