Laden

XIII - De oorzaak van de goede werken

XIII - De oorzaak van de goede werken

De Schotse Geloofsbelijdenis van 1560 (Scots Confession), volledige tekst: de geloofsbelijdenis van de Kerk van Schotland tot de Westminster Geloofsbelijdenis, met gratis PDF

Ef. 2.10. Fil. 3.13. Joh. 15.5. Rom. 8.9. ZODAT wij belijden dat de oorzaak van de goede werken niet de vrije wil is, maar de Geest van de Heere Jezus, Die, door een waar geloof in onze harten wonende, zulke goede werken voortbrengt als God voor ons bereid heeft om daarin te wandelen. Want dit bevestigen wij zeer vrijmoedig, dat het godslastering is te zeggen dat Christus Jezus blijft in het hart van zulken in wie geen Geest der heiligmaking is. En daarom vrezen wij niet te bevestigen dat moordenaars, verdrukkers, wrede vervolgers, overspelers, hoereerders, onreinen, afgodendienaars, dronkaards, dieven en alle werkers der ongerechtigheid noch een waar geloof hebben, noch enig deel aan de Geest der heiligmaking, Die van de Heere Jezus uitgaat, zolang zij hardnekkig in hun goddeloosheid volharden. Want zodra de Geest van de Heere Jezus (Die Gods uitverkoren kinderen door een waar geloof ontvangen) bezit neemt van het hart van enig mens, Rom. 7.15, 16, 17. zo spoedig wederbaart en vernieuwt Hij diezelfde mens, zodat hij begint te haten wat hij tevoren liefhad, en begint lief te hebben wat hij tevoren haatte; Gal. 5.17. en daaruit komt die voortdurende strijd voort die er is tussen het vlees en de Geest in Gods kinderen, terwijl het vlees en de natuurlijke mens (naar hun eigen verdorvenheid) begeert naar dingen die hem aangenaam en verlustigend zijn, morrt in tegenspoed, zich verheft in voorspoed, en op elk ogenblik geneigd en gereed is de Majesteit van God te beledigen; Rom. 8 16. Rom. 7.24. Rom. 8 22. Ef. 4.17, 18, 19. maar de Geest van God, Die met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn, doet ons de duivel weerstaan, vuile genoegens verfoeien, in Gods tegenwoordigheid zuchten om verlossing uit deze slavernij van de verdorvenheid, en ten slotte zegevieren over de zonde, zodat zij niet heerst in onze sterfelijke lichamen. Deze strijd hebben de vleselijke mensen niet, 2 Tim. 2.26. omdat zij van Gods Geest ontbloot zijn, maar zij volgen en gehoorzamen de zonde met gretigheid en zonder berouw, al naar de duivel en hun verdorven lusten hen aansporen. Maar de kinderen van God (zoals hiervoor gezegd is) strijden tegen de zonde, snikken en treuren wanneer zij bemerken dat zij tot ongerechtigheid verzocht worden, en als zij vallen, staan zij weer op met ernstig en ongeveinsd berouw; en deze dingen doen zij niet door hun eigen kracht, maar de kracht van onze Heere Jezus (zonder Wie zij niets zouden kunnen doen) werkt in hen al wat goed is. Joh. 15 5.