XXIV - Van de burgerlijke overheid
XXIV - Van de burgerlijke overheid
De Schotse Geloofsbelijdenis van 1560 (Scots Confession), volledige tekst: de geloofsbelijdenis van de Kerk van Schotland tot de Westminster Geloofsbelijdenis, met gratis PDF
Rom. 13.1. Tit. 3.1. 1 Petr. 2.13. WIJ belijden en erkennen dat keizerrijken, koninkrijken, heerschappijen en steden door God onderscheiden en verordend zijn, en dat de machten en gezagsdragers daarin (hetzij keizers in hun keizerrijken, koningen in hun koninkrijken, hertogen en vorsten in hun heerschappijen, of andere overheden in vrije steden) Gods heilige verordening zijn, verordend tot openbaring van zijn eigen heerlijkheid en tot bijzonder nut en voordeel van het mensdom. Rom. 13.2. Zodat, al wie erop uit is de gehele staat van de burgerlijke regeringen, die nu lang bevestigd zijn, weg te nemen of te verwarren, van zulke mensen bevestigen wij dat zij niet alleen vijanden van het mensdom zijn, maar ook goddeloos strijden tegen Gods uitdrukkelijke wil. Rom. 13.7. Verder belijden en erkennen wij dat zulke personen als in gezag gesteld zijn, bemind, geëerd en gevreesd moeten worden, en in de eerbiedigste achting gehouden, omdat zij de stedehouders van God zijn, in wier vierschaar God Zelf zit en oordeelt (ja, 1 Petr. 2.17. Ps. 82.1. zelfs de rechters en vorsten zelf), aan wie door God het zwaard gegeven is, tot lof en verdediging van de goeden, en om alle openlijke boosdoeners te wreken en te straffen. Aan koningen bovendien, vorsten, regeerders en overheden, zo bevestigen wij, komt allereerst en allervoornaamst de instandhouding en zuivering van de religie toe; zodat zij niet alleen aangesteld zijn voor de burgerlijke regering, maar ook tot handhaving van de ware religie en tot onderdrukking van alle afgoderij en bijgeloof, van welke aard ook, 1 Kron. 22, 23, 24, 25, 26. hfdst. 2 Kron. 29, 30, 31. hfdst. 2 Kron. 34, & 35. hfdst. zoals te zien is in David, Josafat, Hizkia, Josia en anderen, die om hun ijver in deze zaak hoog geprezen worden. En daarom belijden en betuigen wij dat zulken die de hoogste machten weerstaan (wanneer die doen wat tot hun ambt behoort), Gods verordening weerstaan en daarom niet onschuldig kunnen zijn. En verder bevestigen wij dat, al wie hun zijn hulp, raad en bijstand weigert, terwijl de vorsten en regeerders waakzaam arbeiden in de uitoefening van hun ambt, dat diezelfde mensen hun hulp, steun en raad weigeren aan God, Die door de tegenwoordigheid van zijn stedehouder die van hen vraagt.