VIII - Van de verkiezing
VIII - Van de verkiezing
De Schotse Geloofsbelijdenis van 1560 (Scots Confession), volledige tekst: de geloofsbelijdenis van de Kerk van Schotland tot de Westminster Geloofsbelijdenis, met gratis PDF
Want diezelfde eeuwige God en Vader, Ef. 1.11. Matth. 25 34. Ef. 1 21, 22. Hebr. 2.7, 8. Ps. 22.11. Hebr. 13.20. 1 Petr. 2.24. & 5. Die ons uit louter genade in Christus Jezus, zijn Zoon, verkoren heeft voordat de grondlegging van de wereld gelegd werd, heeft Hem aangesteld tot ons Hoofd, onze Broeder, onze Herder en de grote Opziener van onze zielen. Maar omdat de vijandschap tussen de gerechtigheid van God en onze zonden zodanig was dat geen vlees uit zichzelf tot God had kunnen of mogen komen, was het nodig dat de Zoon van God tot ons zou neerdalen Ps. 130.3. Ps. 143.3. 1 Tim. 2.5. en Zich een lichaam van ons lichaam, vlees van ons vlees en been van onze benen zou aannemen, en zo de volmaakte Middelaar tussen God en de mens zou worden; Die zovelen als in Hem geloven macht geeft kinderen van God te worden, Joh. 1.12. Joh. 20.17. zoals Hij Zelf getuigt: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Door deze allerheiligste broederschap wordt al wat wij in Adam verloren hebben ons weer teruggegeven. En om deze reden vrezen wij in het geheel niet God onze Vader te noemen, niet zozeer omdat Hij ons geschapen heeft (wat wij met de verworpenen gemeen hebben), als wel omdat Hij ons zijn enige Zoon gegeven heeft om onze Broeder te zijn, Rom. 5.17, 18.19. en ons genade gegeven heeft om Hem te erkennen en te omhelzen als onze enige Middelaar, zoals hiervoor gezegd is. Verder moest de Messias en Verlosser waarachtig God en waarachtig mens zijn, Rom. 8.15. Gal. 4.6. Hand. 17.26. Hebr. 2.11, 12. 1 Petr. 3 18. Jes. 53.8. Hand. 2.4. 1 Joh. 1 2. omdat Hij de straf moest lijden die voor onze overtredingen verschuldigd was, en Zichzelf moest stellen voor het aangezicht van het oordeel van zijn Vader, om als in onze persoon te lijden voor onze overtreding en ongehoorzaamheid, en door de dood hem te overwinnen die de bewerker van de dood was. Maar omdat de Godheid alleen de dood niet kon lijden, en evenmin de mensheid alleen die kon overwinnen, heeft Hij beide samengevoegd in één persoon, Hand. 20 28. 1 Tim. 3.16. Joh. 3.16. opdat de zwakheid van de ene zou lijden en aan de dood onderworpen zou zijn (die wij verdiend hadden), en de oneindige en onoverwinnelijke kracht van de andere, namelijk van de Godheid, zou zegevieren en ons leven, vrijheid en eeuwigdurende overwinning zou verwerven; en zo belijden wij het en geloven wij het zonder enige twijfel.