XV - De volmaaktheid van de wet en de onvolmaaktheid van de mens
XV - De volmaaktheid van de wet en de onvolmaaktheid van de mens
De Schotse Geloofsbelijdenis van 1560 (Scots Confession), volledige tekst: de geloofsbelijdenis van de Kerk van Schotland tot de Westminster Geloofsbelijdenis, met gratis PDF
Lev. 18.5. Gal. 3.12. 1 Tim. 1.18. Rom. 7.12. Ps. 19.7, 8, 9. Deut. 5.29. Rom. 10.3. 1 Kon. 8.4, 6. Kron. 6.36. Pred. 7.22. Spr. 20.9. 1 Joh. 1.8. Joh. 1.18. Rom. 10.4. Gal. 3 13. Deut. 27.26. Fil. 2.15. Jes. 64.6. Luk. 17.10. De wet van God belijden en erkennen wij zeer rechtvaardig, zeer billijk, zeer heilig en zeer volmaakt te zijn, gebiedende die dingen die, in volmaaktheid volbracht, leven zouden kunnen geven en de mens tot de eeuwige gelukzaligheid brengen. Maar onze natuur is zo verdorven, zo zwak en onvolmaakt, dat wij nooit de werken van de wet in volmaaktheid kunnen vervullen; ja, als wij zeggen dat wij geen zonde hebben (zelfs nadat wij wedergeboren zijn), dan misleiden wij onszelf, en de waarheid van God is niet in ons. En daarom moeten wij Christus Jezus aangrijpen met zijn gerechtigheid en genoegdoening, Die het einde en de vervulling van de wet is voor allen die geloven; door Wie wij in deze vrijheid gesteld zijn, dat de vloek en vervloeking van God niet op ons valt, hoewel wij haar niet in alle punten vervullen. Want God de Vader, ons aanschouwende in het lichaam van zijn Zoon Christus Jezus, aanvaardt onze onvolmaakte gehoorzaamheid alsof zij volmaakt was, en bedekt onze werken, die met vele vlekken bezoedeld zijn, met de gerechtigheid van zijn Zoon. Wij bedoelen niet dat wij zo in vrijheid gesteld zijn dat wij aan de wet geen gehoorzaamheid verschuldigd zijn (want dat hebben wij hiervoor duidelijk beleden), maar dit bevestigen wij, dat geen mens op aarde (Christus Jezus alleen uitgezonderd) met de daad die gehoorzaamheid aan de wet gegeven heeft, geeft of zal geven, die de wet eist. Maar wanneer wij alle dingen gedaan hebben, moeten wij neervallen en ongeveinsd belijden dat wij onnutte dienstknechten zijn. En daarom, al wie zich beroemt op de verdiensten van zijn eigen werken, of zijn vertrouwen stelt op werken van overdadigheid, die beroemt zich op iets wat niet is, en stelt zijn vertrouwen op verdoemelijke afgoderij.