III - Hoe de personen die kerkelijke bedieningen dragen, tot hun ambt toegelaten moeten worden
III - Hoe de personen die kerkelijke bedieningen dragen, tot hun ambt toegelaten moeten worden
Het Tweede Boek der Discipline van de Kerk van Schotland (1578), volledige tekst: de eerste verhandeling over de presbyteriaanse kerkregering, met gratis PDF
De beroeping of roeping is gemeen aan allen die een ambt in de Kerk zullen dragen; zij is de wettige weg waarlangs bekwame personen tot enig geestelijk ambt in de Kerk van God bevorderd worden.
Zonder deze wettige roeping was het nooit enig persoon geoorloofd zich met enige kerkelijke bediening in te laten.
Er zijn twee soorten van roeping: de ene buitengewoon, onmiddellijk door God, zoals die van de profeten en apostelen was, die in kerken die ingericht en reeds goed gereformeerd zijn, geen plaats heeft.
De andere roeping is gewoon; die is, behalve de roeping van God en het inwendig getuigenis van een goed geweten, de wettige goedkeuring en het uiterlijk oordeel van mensen, naar Gods Woord en de orde die in Zijn Kerk ingesteld is.
Niemand behoort zich aan te matigen in enig kerkelijk ambt te treden zonder dit goede getuigenis voor God, Die alleen de harten van de mensen kent.
Deze gewone en uiterlijke roeping heeft twee delen: verkiezing en ordening. Verkiezing is het uitkiezen van een persoon of personen, de meest bekwame, tot het ambt dat openvalt, door het oordeel van het ouderlingschap en met instemming van de gemeente waarover de persoon of personen aangesteld zullen worden.
De hoedanigheden die in het algemeen vereist zijn in allen die een last in de Kerk zullen dragen, bestaan in zuiverheid van religie en godzaligheid van leven, zoals die in het Woord voldoende beschreven zijn.
In de orde van de verkiezing moet vermeden worden dat enig persoon in enig ambt van de Kerk opgedrongen wordt, tegen de wil van de gemeente waarover hij aangesteld wordt, of zonder de stem van het ouderlingschap.
Niemand behoort opgedrongen of geplaatst te worden in plaatsen die reeds voorzien zijn, of in enige plaats die niet openvalt, om enig wereldlijk oogmerk; en wat men het beneficie noemt, behoort niets anders te zijn dan de bezoldiging van de dienaren die wettig geroepen zijn.
Ordening is de afzondering en heiliging van de aangestelde persoon voor God en Zijn Kerk, nadat hij goed beproefd en bekwaam bevonden is.
De plechtigheden van de ordening zijn vasten, ernstig gebed en handoplegging door het ouderlingschap.
Al dezen, zoals zij door God verwekt en door Hem bekwaam gemaakt moeten worden voor het werk waartoe zij geroepen zijn, zo behoren zij te weten dat hun boodschap binnen Gods Woord begrensd is, buiten welks grenzen zij niet behoren te gaan.
Al dezen moeten (opdat zij niet verheven worden en in zichzelf opgeblazen raken) alleen die titels en namen aannemen die de Schriften hun geven, als die welke arbeid, moeite en werk aanduiden, en namen zijn van ambten en dienst, en niet van ledigheid, waardigheid, wereldlijke eer of voorrang, wat door Christus onze Meester uitdrukkelijk berispt en verboden is.
Al deze ambtsdragers moeten hun eigen bijzondere kudden hebben, onder wie zij hun last uitoefenen.
Allen moeten bij hen verblijf houden, en het toezicht en opzicht over hen nemen, ieder in zijn roeping.
En in het algemeen behoren zij allen deze twee dingen voor ogen te houden: de eer van God en de opbouw van Zijn Kerk, in het vervullen van hun plichten in hun roeping.