I - Van de Kerk en haar bestuur in het algemeen, en waarin het verschilt van het burgerlijk bestuur
I - Van de Kerk en haar bestuur in het algemeen, en waarin het verschilt van het burgerlijk bestuur
Het Tweede Boek der Discipline van de Kerk van Schotland (1578), volledige tekst: de eerste verhandeling over de presbyteriaanse kerkregering, met gratis PDF
DE Kerk van God wordt soms in ruime zin genomen voor allen die het Evangelie van Jezus Christus belijden, en zo is zij een gezelschap en gemeenschap niet alleen van de godvrezenden, maar ook van huichelaars, die toch uiterlijk de ware religie belijden.
Andere keren wordt zij genomen voor de godvrezenden en uitverkorenen alleen, en soms voor hen die een geestelijke bediening uitoefenen in de gemeente van hen die de waarheid belijden.
De Kerk in deze laatste zin heeft een zekere macht, door God verleend, naar welke zij een eigen rechtsmacht en bestuur gebruikt, uitgeoefend tot troost van de gehele Kerk.
Deze kerkelijke macht is een gezag, door God de Vader, door de Middelaar Jezus Christus, aan Zijn vergaderde Kerk verleend, en dat zijn grond heeft in het Woord van God, om ten uitvoer gebracht te worden door hen aan wie het geestelijk bestuur van de Kerk door wettige roeping is toevertrouwd.
Het bestuur van de Kerk, dat uit deze macht voortvloeit, is een orde of vorm van geestelijk bestuur, die uitgeoefend wordt door de leden die daartoe door het Woord van God aangesteld zijn; en daarom wordt het onmiddellijk gegeven aan de ambtsdragers, door wie het uitgeoefend wordt tot welzijn van het gehele lichaam.
Deze macht wordt op verschillende wijze gebruikt: want soms wordt zij afzonderlijk uitgeoefend, voornamelijk door de leraars, soms gezamenlijk, met onderlinge instemming van hen die het ambt en de last dragen, naar de vorm van een rechtspraak. De eerste wordt alleen potestas ordinis genoemd, en de andere potestas iurisdictionis.
Deze twee soorten van macht hebben beide één gezag, één grond, één einddoel, maar verschillen in de wijze en vorm van uitvoering, zoals blijkt uit de woorden van onze Meester in het 16e en 18e hoofdstuk van Mattheüs.
Deze kerkelijke macht en dit kerkelijk bestuur zijn naar hun eigen aard verschillend en onderscheiden van die macht en dat bestuur die burgerlijke macht genoemd worden en tot het burgerlijk bestuur van het gemenebest behoren; hoewel zij beide van God zijn en, als zij recht gebruikt worden, naar één doel strekken, namelijk de eer van God te bevorderen en godvrezende en goede onderdanen te hebben.
Want deze kerkelijke macht vloeit onmiddellijk voort uit God en de Middelaar Jezus Christus; en zij is geestelijk, en heeft geen tijdelijk hoofd op de aarde, maar alleen Christus, de enige geestelijke Koning en regeerder van Zijn Kerk.
Het is een titel die door de Antichrist valselijk wordt aangematigd, zichzelf hoofd van de Kerk te noemen, en die behoort aan geen engel of mens, van welke staat hij ook zij, toegekend te worden, dan alleen aan Christus, het enige Hoofd en de enige Monarch in de Kerk.
Daarom moeten deze macht en dit bestuur van de Kerk onmiddellijk op het Woord steunen, als hun enige grond, en genomen worden uit de zuivere bronnen van de Schriften, zodat de Kerk de stem van Christus, de enige geestelijke Koning, hoort en door Zijn wetten geregeerd wordt.
Het is eigen aan koningen, vorsten en overheden, heren en heersers genoemd te worden over hun onderdanen, die zij burgerlijk regeren; maar het is alleen aan Christus eigen, Heer en Meester genoemd te worden in het geestelijk bestuur van de Kerk; en allen die daarin een ambt dragen, behoren zich daarin geen heerschappij aan te matigen, noch heren genoemd te worden, maar alleen dienaren, discipelen en knechten. Want het is het eigen ambt van Christus, Zijn Kerk in het algemeen en iedere bijzondere kerk door Zijn Geest en Woord, door de bediening van mensen, te gebieden en te regeren.
Niettemin, zoals de dienaren en anderen van de kerkelijke stand onderworpen zijn aan de burgerlijke overheid, zo behoort de persoon van de overheid geestelijk en in het kerkelijk bestuur aan de Kerk onderworpen te zijn. En de uitoefening van beide deze rechtsmachten kan niet op gewone wijze in één persoon samengaan.
De burgerlijke macht wordt de macht van het zwaard genoemd, en de andere de macht van de sleutels.
De burgerlijke macht moet de geestelijke gebieden haar ambt uit te oefenen en te vervullen naar het Woord van God; de geestelijke regeerders moeten van de christelijke overheid eisen dat zij recht doet, de ondeugd straft, en de vrijheid en rust van de Kerk binnen haar gebied handhaaft.
De overheid gebiedt uiterlijke dingen ter wille van de uiterlijke vrede en rust onder de onderdanen; de dienaar behandelt uiterlijke dingen alleen ter wille van het geweten.
De overheid behandelt alleen uiterlijke dingen en daden die voor mensen gedaan worden, maar de geestelijke regeerder oordeelt zowel de inwendige neigingen als de uiterlijke daden, met betrekking tot het geweten, naar het Woord van God.
De burgerlijke overheid eist en verkrijgt gehoorzaamheid door het zwaard en andere uiterlijke middelen, maar de bediening door het geestelijk zwaard en geestelijke middelen.
De overheid behoort noch te prediken, noch de sacramenten te bedienen, noch de censuren van de Kerk uit te voeren, noch ook enige regel voor te schrijven hoe dat gedaan moet worden, maar de dienaren te gebieden de regel in acht te nemen die in het Woord geboden is, en de overtreders met burgerlijke middelen te straffen. De dienaren oefenen de burgerlijke rechtsmacht niet uit, maar leren de overheid hoe die naar het Woord uitgeoefend moet worden.
De overheid behoort de rechtsmacht van de Kerk bij te staan, te handhaven en te versterken. De dienaren moeten hun vorsten bijstaan in alle dingen die met het Woord overeenkomen, mits zij hun eigen last niet verwaarlozen door zich in burgerlijke zaken te mengen.
Tenslotte, zoals de dienaren in uiterlijke dingen onderworpen zijn aan het oordeel en de straf van de overheid, als zij misdoen, zo behoren de overheden zich te onderwerpen aan de tucht van de Kerk, als zij overtreden in zaken van geweten en religie.