IX - Van het patrimonium van de Kerk en de uitdeling daarvan
IX - Van het patrimonium van de Kerk en de uitdeling daarvan
Het Tweede Boek der Discipline van de Kerk van Schotland (1578), volledige tekst: de eerste verhandeling over de presbyteriaanse kerkregering, met gratis PDF
ONDER het patrimonium van de Kerk verstaan wij al wat ooit tevoren gegeven is of in toekomende tijden gegeven zal worden, of door instemming of algemeen gebruik van landen die de christelijke religie belijden, tot het openbaar gebruik en nut van de Kerk aangewend is.
Zodat wij onder het patrimonium alle dingen begrijpen die aan de Kerk en de dienst van God gegeven zijn of gegeven zullen worden, zoals landerijen, gebouwen, bezittingen, jaarlijkse renten en al dergelijke, waarmee de Kerk begiftigd is, hetzij door schenkingen, stichtingen, vermakingen in de dode hand, of enige andere wettige titels van koningen, vorsten of enige personen die lager zijn dan zij, samen met de voortdurende offeranden van de gelovigen.
Wij begrijpen er ook al zulke dingen onder die door wetten of gewoonte of gebruik van landen tot gebruik en nut van de Kerk aangewend zijn; van welke soort de tienden, pastorieën, pastoriegronden en dergelijke zijn, die door gemeen en plaatselijk recht en algemeen gebruik door de Kerk bezeten worden.
Iets van dit patrimonium door onwettige middelen te nemen en het tot het bijzonder en onheilig gebruik van enig persoon aan te wenden, houden wij voor een verfoeilijke heiligschennis voor God.
De kerkelijke goederen behoren door de diakenen ingezameld en uitgedeeld te worden, zoals het Woord van God beschikt, opdat zij die een ambt in de Kerk dragen, verzorgd worden zonder zorg of bekommernis.
In de apostolische Kerk waren de diakenen aangesteld om in te zamelen en uit te delen, welke som ook van de gelovigen ingezameld werd, om die uit te delen naar de nood van de heiligen, zodat niemand onder de gelovigen gebrek had.
Deze inzamelingen waren niet alleen van wat bij wijze van aalmoes ingezameld werd, zoals sommigen menen, maar van andere goederen, roerende en onroerende, van landerijen en bezittingen, waarvan de prijs aan de voeten van de apostelen gebracht werd.
Dit ambt bleef in de handen van de diakenen, die het beheer hadden over alle goederen van de Kerk, totdat de staat daarvan door de Antichrist bedorven werd, zoals de oude canones getuigen.
Dezelfde canones maken melding van een viervoudige uitdeling van het patrimonium van de Kerk, waarvan het ene deel aangewend werd voor de herder of bisschop tot zijn onderhoud en gastvrijheid; een ander voor de ouderlingen en diakenen en de gehele geestelijkheid; het derde voor de armen, zieken en vreemdelingen; het vierde tot instandhouding van andere zaken van de Kerk, vooral buitengewone.
Wij voegen hieraan ook de scholen en schoolmeesters toe, die uit dezelfde goederen behoren en goed kunnen onderhouden worden, en die onder de geestelijkheid begrepen zijn. Bij hen voegen wij ook de scriba's van de vergaderingen, zowel de bijzondere als de algemene, de syndici of procuratoren van de kerkelijke zaken, de voorzangers van de psalmen, en andere gewone ambtenaren van de Kerk van dezelfde soort, voor zover zij noodzakelijk zijn.