Van het Sacrament van de Doop
Van het Sacrament van de Doop
Directorium voor de Openbare Godsdienst van de Westminster Vergadering (1645), met audio en gratis PDF: een complete gids voor de gereformeerde openbare eredienst
Van de bediening der sacramenten:
EN TEN EERSTE, VAN DE DOOP.
De doop mag niet onnodig uitgesteld worden, maar mag ook in geen geval door enig particulier persoon bediend worden, doch door een dienaar van Christus, geroepen om bedienaar der verborgenheden Gods te zijn.
Hij mag ook niet in particuliere plaatsen, of in het bijzonder, bediend worden, maar in de plaats van de openbare eredienst, en in het gezicht van de gemeente, waar het volk het meest gevoeglijk kan zien en horen; en niet op de plaatsen waar de doopvonten, in de tijd van het pausdom, ongepast en bijgelovig geplaatst werden.
Het kind dat gedoopt zal worden, moet, nadat de dienaar de avond tevoren gewaarschuwd is, door de vader, of (bij zijn noodzakelijke afwezigheid) door een christelijke vriend in zijn plaats, aangeboden worden, belijdende zijn vurig verlangen dat het kind gedoopt worde.
Vóór de doop moet de dienaar enige woorden van onderricht spreken over de instelling, de aard, het gebruik en de doeleinden van dit sacrament, aanwijzende,
"Dat het door onze Heere Jezus Christus is ingesteld. Dat het een zegel is van het verbond der genade, van onze inplanting in Christus en onze vereniging met Hem, van de vergeving der zonden, van de wedergeboorte, van de aanneming tot kinderen en van het eeuwige leven. Dat het water, in de doop, zowel het bloed van Christus voorstelt en betekent, dat alle schuld der zonde, oorspronkelijke en dadelijke, wegneemt, als de heiligende kracht van de Geest van Christus tegen de heerschappij der zonde en de verdorvenheid van onze zondige natuur. Dat dopen, of besprenkelen en wassen met water, de reiniging van de zonde betekent door het bloed en de verdienste van Christus, tezamen met de doding der zonde, en de opheffing tot een nieuw leven, krachtens de dood en opstanding van Christus: Dat de belofte gedaan wordt aan de gelovigen en hun nageslacht; en dat het nageslacht en de nakomelingen der gelovigen, binnen de kerk geboren, door hun geboorte deel hebben aan het verbond, en recht op het zegel daarvan, en op de uitwendige voorrechten der kerk, onder het evangelie, niet minder dan de kinderen van Abraham in de tijd van het Oude Testament; het verbond der genade, wat de zaak betreft, hetzelfde zijnde; en de genade Gods, en de vertroosting der gelovigen, overvloediger dan tevoren. Dat de Zoon van God de kleine kinderen tot Zich liet komen, hen omhelzende en zegenende, zeggende: Want derzulken is het Koninkrijk Gods. Dat de kinderen, door de doop, plechtig opgenomen worden in de schoot van de zichtbare kerk, onderscheiden van de wereld en van hen die daarbuiten zijn, en verenigd met de gelovigen; en dat allen die in de naam van Christus gedoopt zijn, de duivel, de wereld en het vlees verzaken, en door hun doop verplicht zijn daartegen te strijden. Dat zij christenen zijn, en verbondsmatig heilig, vóór de doop, en daarom gedoopt worden. Dat de innerlijke genade en kracht van de doop niet gebonden zijn aan het ogenblik zelf waarop hij bediend wordt; en dat de vrucht en de kracht daarvan zich uitstrekken over de gehele loop van ons leven; en dat de uitwendige doop niet zo noodzakelijk is, dat het kind, bij gebreke daarvan, in gevaar van verdoemenis zou zijn, of de ouders schuldig zouden zijn, indien zij de inzetting van Christus niet verachten of verzuimen, wanneer en waar zij die kunnen hebben."
In deze of soortgelijke onderrichtingen moet de dienaar zijn eigen vrijheid en godvruchtige wijsheid gebruiken, naardat de onwetendheid of de dwalingen in de leer van de doop, en de stichting van het volk, het vereisen.
Hij moet ook allen die aanwezig zijn, vermanen,
"Dat zij terugzien op hun doop; dat zij zich bekeren van hun zonden tegen hun verbond met God; dat zij hun geloof aansporen; dat zij hun doop, en het verbond daardoor tussen God en hun zielen bezegeld, verbeteren en er een juist gebruik van maken."
Hij moet de ouders vermanen,
"Dat hij de grote barmhartigheid Gods jegens hem en zijn kind overweegt; dat hij het kind opvoedt in de kennis van de grondslagen van de christelijke religie, en in de leer en vermaning des Heeren; en dat hij hem het gevaar van Gods toorn voor zichzelf en voor het kind bekend maakt, indien hij nalatig is: zijn plechtige belofte eisend voor de vervulling van zijn plicht."
Nadat dit geschied is, moet het gebed vergezeld gaan van het woord der instelling, om het water voor dit geestelijk gebruik te heiligen; en de dienaar moet bidden tot dit of een soortgelijk doel:
"Dat de Heere, Die ons niet als vreemdelingen zonder het verbond der belofte heeft achtergelaten, maar ons geroepen heeft tot de voorrechten van Zijn inzettingen, Zich gewaardige op dit ogenblik Zijn eigen inzetting van de doop te heiligen en te zegenen. Dat Hij de innerlijke doop van Zijn Geest verenige met de uitwendige doop met water; dat Hij deze doop voor het kind make tot een zegel van de aanneming tot kind, de vergeving der zonden, de wedergeboorte en het eeuwige leven, en alle andere beloften van het verbond der genade: Opdat het kind geplant worde in de gelijkenis van de dood en opstanding van Christus; en opdat het, nadat het lichaam der zonde in hem vernietigd is, God diene in nieuwheid des levens al zijn dagen."
Vervolgens moet de dienaar naar de naam van het kind vragen; nadat deze hem gezegd is, moet hij zeggen (het kind bij zijn naam noemende)
Ik doop u in de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest.
Bij het uitspreken van deze woorden moet hij het kind met water dopen, hetgeen, wat de wijze van doen betreft, niet alleen geoorloofd is, maar voldoende en zeer gepast, door het water over het gezicht van het kind te gieten of te sprenkelen, zonder enige andere ceremonie toe te voegen.
Nadat dit geschied is, moet hij dankzeggen en bidden, tot dit of hetzelfde doel:
"Met alle dankbaarheid erkennende, dat de Heere getrouw is in de vervulling van het verbond en de barmhartigheid. Dat Hij goed en barmhartig is, niet alleen omdat Hij ons onder Zijn heiligen rekent, maar ook omdat het Hem behaagt aan onze kinderen dit bijzondere blijk en kenteken van Zijn liefde in Christus te verlenen. Dat Hij, in Zijn waarheid en bijzondere voorzienigheid, dagelijks sommigen in de schoot van Zijn kerk opneemt, opdat zij deel mogen hebben aan Zijn onschatbare weldaden, verworven door het bloed van Zijn geliefde Zoon, tot bestendiging en groei van Zijn kerk.
En biddende dat de Heere Zijn onuitsprekelijke gunst dagelijks meer moge voortzetten en bevestigen: Dat Hij het kind, nu gedoopt en plechtig opgenomen in het huis des geloofs, wil ontvangen onder Zijn vaderlijke bescherming en verdediging, en zich zijner herinnere met de gunst die Hij Zijn volk betoont; dat, indien het uit dit leven weggenomen wordt in zijn kindsheid, de Heere, Die rijk is in barmhartigheid, het moge behagen het in heerlijkheid op te nemen; en indien het leeft, en tot de jaren des onderscheids komt, dat de Heere het zo door Zijn woord en Zijn Geest onderwijze, en zijn doop voor hem werkzaam make, en het zo door Zijn goddelijke kracht en genade ondersteune, dat het door het geloof mag zegevieren tegen de duivel, de wereld en het vlees, totdat het ten laatste een volkomen en eindelijke overwinning behaalt, en zo door de kracht Gods door het geloof bewaard worde tot zaligheid, door Jezus Christus onze Heere."