Laden

De goede werken

De goede werken

De goede werken - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
  1. Goede werken zijn alleen zulke als God in zijn heilig Woord bevolen heeft,305 en niet zulke die, zonder dat ze dit waarmerk dragen, door de mensen zijn verzonnen, uit blinde ijver of onder het een of andere voorwendsel van een goede bedoeling.306

    • 305. Micha 6:8.
    • Hebreeën 13:21.
    • Romeinen 12:2.
    • 306. Mattheüs 15:9.
    • Jesaja 29:13.
    • 1 Petrus 1:18.
    • Romeinen 10:2.
  2. Deze goede werken, gedaan in gehoorzaamheid aan Gods geboden, zijn de vruchten en bewijzen van een waar en levend geloof.307 Daardoor betuigen gelovigen hun dankbaarheid,308 versterken zij hun zekerheid,309 bouwen zij hun broeders op,310 strekken zij de belijdenis van het evangelie tot sieraad,311 snoeren zij de mond van de tegenstanders,312 en verheerlijken zij God,313 wiens maaksel zij zijn in Christus Jezus, geschapen om goede werken te doen.314 Zodat zij als vrucht hun heiliging hebben en als einde het eeuwige leven.315

    • 307. Jakobus 2:18,22.
    • 308. Psalm 116:12,13.
    • 1 Petrus 2:9.
    • 309. 1 Johannes 2:3,5.
    • 2 Petrus 1:5-10.
    • 310. 2 Korintiërs 9:2.
    • Mattheüs 5:16.
    • 311. Titus 2:5.
    • Titus 2:9-12.
    • 1 Timoteüs 6:1.
    • 312. 1 Petrus 2:15.
    • 313. 1 Petrus 2:12.
    • Filippenzen 1:11.
    • Johannes 15:8.
    • 314. Efeziërs 2:10.
    • 315. Romeinen 6:22.
  3. Hun vermogen om goede werken te doen ligt beslist niet in henzelf, maar is geheel en al uit de Heilige Geest.316 En opdat zij daartoe in staat gesteld zullen worden, is, naast de genadegaven die zij al ontvangen hebben, een krachtige invloed door dezelfde Heilige Geest vereist om in hen te werken zowel het willen als het werken, om zijn welbehagen.317 Maar dit betekent niet dat zij op grond hiervan nalatig mogen worden, alsof zij niet gehouden waren tot het vervullen van de een of andere plicht dan alleen op grond van een bijzondere aandrijving van de Geest. Maar zij dienen ijverig te zijn om de genade van God die in hen is aan te wakkeren.318

    • 316. Johannes 15:4,5.
    • Ezechiël 36:26,27.
    • 317. Filippenzen 2:13.
    • 2 Korintiërs 3:5.
    • Filippenzen 4:13.
    • 318. Filippenzen 2:12.
    • Hebreeën 6:11,12.
    • 2 Petrus 1:3,5,10,11.
  4. Zij die in hun gehoorzaamheid de grootste hoogte die in dit leven mogelijk is bereiken, zijn nog zover af van het vermogen om meer te doen dan God vereist dat zij in veel van wat ze verplicht zijn te doen tekortschieten.320

    • 320. Lucas 17:10.
    • Nehemia 13:22.
    • Job 9:2,3.
    • Galaten 5:17.
  5. Zelfs met onze beste werken kunnen wij uit Gods hand geen vergeving van zonde of het eeuwige leven verdienen, gezien de grote onevenredigheid tussen die goede werken en de komende heerlijkheid, en gezien de oneindige afstand tussen ons en God, die we met onze goede werken geen enkele dienst kunnen bewijzen en aan wie we geen voldoening kunnen schenken van de schuld van onze eerder begane zonden.321 Maar wanneer we alles gedaan hebben wat we kunnen, hebben we alleen onze plicht gedaan en zijn we onnutte slaven.322 Want, wanneer ze goed zijn komen ze voort uit zijn Geest.323 En wanneer ze door ons gedaan worden zijn ze besmet en vermengd met zoveel zwakheid en onvolkomenheid dat zij de strengheid van Gods oordeel niet kunnen verdragen.324

    • 321. Romeinen 4:2,4,6.
    • Efeziërs 2:8,9.
    • 322. Lucas 17:10.
    • 323. Galaten 5:22,23.
    • 324. Jesaja 64:6.
    • Romeinen 7:15,18.
    • Galaten 5:17.
  6. En toch, ondanks dit alles, aangezien de gelovigen als personen dank zij Christus worden aangenomen, worden ook hun goede werken in Hem aanvaard.325 Dit dan niet alsof zij in dit leven helemaal feilloos en onberispelijk in Gods ogen zouden zijn. Maar zo dat Hij, hen in zijn Zoon aanziende, hen gaarne aanvaardt en beloont wat oprecht gedaan wordt, hoewel het gepaard gaat met veel zwakheden en onvolkomenheden.326

    • 325. Efeziërs 1:6.
    • 1 Petrus 2:5.
    • Exodus 28:38.
    • Hebreeën 11:4.
    • 326. Job 9:20.
    • Psalm 143:2.
    • 327. Hebreeën 13:20,21.
    • 2 Korintiërs 8:12.
  7. Wat betreft werken die door onwedergeboren mensen worden gedaan, hoewel die, wat hun inhoud betreft, dingen kunnen zijn die God gebiedt, en nuttig zowel voor henzelf als voor anderen, die zijn toch, aangezien ze niet voortkomen uit een hart dat gereinigd is door geloof,328 en niet op de juiste manier gedaan worden, namelijk in overeenstemming met het Woord, noch met het juiste doel, de verheerlijking van God,329 daarom zondig en ze kunnen God niet behagen of een mens geschikt maken om genade van God te ontvangen.330 Alhoewel, ze te verzuimen is een nog zwaardere zonde en God onaangenaam.331

    • 328. 2 Koningen 10:30,31.
    • 1 Koningen 21:27-29.
    • 329. Genesis 4:5.
    • Hebreeën 11:4,6.
    • 330. 1 Korintiërs 13:3.
    • Jesaja 1:12.
    • 331. Mattheüs 6:2,5,16.
    • 332. Haggaï 2:14.
    • Titus 1:15.
    • Hosea 1:4.
    • Amos 5:21,22.
    • 333. Psalm 14:4.
    • Psalm 36:3.
    • Job 21:14,15.
    • Mattheüs 23:23.
    • Mattheüs 25:41-43.