Laden

De burgerlijke overheid

De burgerlijke overheid

De burgerlijke overheid - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
  1. God, de hoogste Here en Koning van de hele wereld, heeft burgerlijke overheden verordineerd, om onder Hem over de mensen te regeren, tot zijn eigen eer en tot algemeen welzijn. En voor dat doel heeft Hij hen bekleed met de zwaardmacht, om de goeden te beschermen en te bemoedigen en de kwaaddoeners te straffen.462

    • 462. Romeinen 13:1-4.
    • 1 Petrus 2:13,14.
  2. Het is geoorloofd dat christenen een overheidsambt aanvaarden en uitoefenen, wanneer zij daartoe geroepen worden.463 Zij moeten dan wel heel in het bijzonder vroomheid, recht en vrede handhaven in overeenstemming met de heilzame wetten van de staat.464 En dus mogen zij, nu onder het Nieuwe Testament, daarvoor op wettige wijze oorlogvoeren als er daartoe rechtvaardige en noodzakelijke aanleiding bestaat.465

    • 463. Spreuken 8:15,16.
    • Romeinen 13:1,2,4.
    • 464. Psalm 2:10-12.
    • 1 Timoteüs 2:2.
    • Psalm 82:3,4.
    • 1 Petrus 2:13.
    • 2 Samuël 23:3.
    • 465. Lucas 3:14.
    • Romeinen 13:4.
    • Mattheüs 8:9,10.
    • Openbaring 17:14,16.
    • Handelingen 10:1,2.
  3. De burgerlijke overheid mag zich de bediening van het Woord en de sacramenten niet aanmatigen, noch de sleutelmacht van het Koninkrijk der hemelen.466 Maar ze heeft de bevoegdheid en de plicht om ervoor te zorgen dat de eenheid en de vrede in de kerk wordt bewaard, dat de waarheid van God zuiver en ongerept gehouden wordt, dat elke lastering en ketterij wordt bedwongen, alle verderfelijke en verkeerde gebruiken in eredienst en kerkelijke discipline worden voorkomen of verbeterd, en alle instellingen van God op de juiste manier worden ingevoerd, bediend en onderhouden.467 En om dit te beter te kunnen bewerkstelligen heeft zij macht om synodes bijeen te roepen, die bij te wonen, en ervoor te zorgen, dat wat daar verhandeld wordt in overeenstemming met Gods gedachten is.468

    • 466. 2 Kronieken 26:18.
    • Mattheüs 16:19.
    • Mattheüs 18:17.
    • 467. Jesaja 49:23.
    • Psalm 122:9.
    • Ezra 7:23.
    • Ezra 7:25-28.
    • 468. 2 Kronieken 19:8-11.
  4. Het is de plicht van het volk om voor de overheid te bidden,469 om hun personen te eren,470 belasting en andere verschuldigde dingen aan hen te betalen,471 hun wettige bevelen te gehoorzamen, en zich aan hun gezag om der wille van het geweten te onderwerpen.472 Ongeloof, of verschil in godsdienst maakt het rechtvaardige en wettige gezag van de overheid niet ongeldig, noch ontslaat dit het volk van de gehoorzaamheid die het haar schuldig is.473 Daarvan zijn kerkelijke ambtsdragers niet uitgezonderd.474 En nog veel minder heeft de paus enige rechtsbevoegdheid over haar in haar gebied of over een van haar onderdanen, en allerminst de macht om haar van haar waardigheid of van het leven te beroven, als hij oordeelt dat zij ketters zijn of onder welk ander voorwendsel ook.475

    • 469. 1 Timoteüs 2:1,2.
    • 470. 1 Petrus 2:17.
    • 471. Romeinen 13:6,7.
    • 472. Romeinen 13:5.
    • Titus 3:1.
    • 473. 1 Petrus 2:13,14,16.
    • 474. Romeinen 13:1.
    • 1 Koningen 2:35.
    • Handelingen 25:9-11.
    • 2 Petrus 2:1,10,11.
    • Judas 1:8-11.
    • 475. 2 Thessalonicenzen 2:4.
    • Openbaring 13:15-17.