De voorzienigheid
De voorzienigheid
De voorzienigheid - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
God, de grote Schepper van alle dingen, onderhoudt,97 leidt, bestuurt en regeert alle schepselen, handelingen en dingen, van de grootste tot de kleinste,98 door zijn volkomen wijze en heilige voorzienigheid,99 naar zijn onfeilbare voorkennis100 en de vrije en onveranderlijke raad van zijn wil,101 tot lof van de heerlijkheid van zijn wijsheid, macht, gerechtigheid, goedheid en genade.102
- 97. Hebreeën 1:3.
- 98. Daniël 4:34,35.
- Psalm 135:6.
- Handelingen 17:25,26.
- Handelingen 17:28.
- 99. Mattheüs 10:29-31.
- 100. Spreuken 15:3.
- Psalm 104:24.
- Psalm 145:17.
- 101. Handelingen 15:18.
- Psalm 94:8-11.
- 102. Efeziërs 1:11.
- Psalm 33:10,11.
- 103. Jesaja 63:14.
- Efeziërs 3:10.
- Romeinen 9:17.
- Genesis 45:7.
Hoewel, gezien de voorkennis van God en zijn besluit als eerste oorzaak, alle dingen onveranderlijk en onfeilbaar plaatsvinden,104 toch bestuurt Hij, door dezelfde voorzienigheid, deze zo dat ze gebeuren naar de natuur van de tweede oorzaken, hetzij ze noodzakelijkerwijs of vrij, dan wel bij geval gebeuren.105
- 104. Handelingen 2:23.
- 105. Genesis 8:22.
- Jeremia 31:35.
- Exodus 21:13.
- Deuteronomium 19:5.
- 1 Koningen 22:28,34.
- Jesaja 10:6,7.
In zijn gewone voorzienigheid maakt God gebruik van middelen.106 Toch is Hij vrij om zonder,107 boven,108 en zelfs tegen haar in109 te werken, naar zijn welbehagen.
- 106. Handelingen 27:31.
- Handelingen 27:44.
- Jesaja 55:10,11.
- 107. Hosea 1:7.
- Mattheüs 4:4.
- Job 34:10.
- 108. Romeinen 4:19-21.
- 109. 2 Koningen 6:6.
- Daniël 3:27.
De almachtige kracht, de onnaspeurlijke wijsheid en oneindige goedheid van God betonen zich in zijn voorzienigheid zover, dat deze zich zelfs uitstrekt tot de eerste zondeval en tot alle andere zonden van engelen en mensen,110 en dit niet door toelating zonder meer,111 maar door een die gepaard gaat met een volkomen wijze en krachtige beteugeling112 en besturing en regering ervan, op andere manier en in allerlei vorm. Zodat het alles leidt tot de heilige doeleinden die Hij Zichzelf gesteld heeft.113 Maar dit alles dan toch zo dat het zondige karakter ervan alleen uit het schepsel voortkomt en niet uit God. Hij, die volkomen heilig en rechtvaardig is, is niet de Auteur van de zonde, en kan dit niet zijn noch haar goedkeuren.114
- 110. Romeinen 9:32,33.
- 2 Samuël 24:1.
- 1 Kronieken 21:1.
- 1 Koningen 22:22,23.
- 1 Kronieken 10:4.
- 111. Handelingen 14:16.
- 112. Psalm 76:10.
- 2 Koningen 19:28.
- 113. Genesis 50:20.
- Jesaja 10:6,7.
- Jesaja 10:12.
- 114. Jakobus 1:13.
- 1 Johannes 2:16.
- Psalm 50:21.
De volkomen wijze, rechtvaardige en genadige God laat vaak zijn eigen kinderen voor een tijd over aan allerlei verzoekingen en aan de verdorvenheid van hun hart. Dit doet Hij om hen te kastijden voor de zonden die zij vroeger begaan hebben, of om de verborgen kracht van de verdorvenheid en arglistigheid van hun hart voor hen bloot te leggen, zodat ze zich verootmoedigen;115 en om hen op te trekken tot een sterker en meer voortdurend zich van Hem voor hun ondersteuning afhankelijk weten, en om hen meer waakzaam te maken tegen alle toekomstige gelegenheden om te zondigen, en verder voor allerlei rechtvaardige en heilige doeleinden.116
- 115. 2 Kronieken 32:25,26,31.
- 2 Samuël 24:1.
- 116. 2 Korintiërs 12:7,8,9.
- Psalm 77:1.
- Psalm 77:10.
- Psalm 77:12.
- Johannes 21:15,16.
Wat betreft die slechte en goddeloze mensen die God als een rechtvaardig Rechter, om hun eerder bedreven zonden, verblindt en verhardt,117 hun onthoudt Hij niet alleen zijn genade, waardoor hun verstand verlicht had kunnen zijn en Hij in hun hart had gewerkt,118 maar soms ontneemt Hij hun ook de gaven die zij hadden,119 en Hij stelt hen bloot aan dingen die van dien aard zijn dat hun verdorvenheid hen aangrijpt als een goede gelegenheid om hen te doen zondigen.120 En met dat al geeft Hij hen over aan hun eigen lusten, aan de verzoekingen van de wereld en de macht van Satan.121 Waardoor het gebeurt dat zij zelfs onder de middelen die God gebruikt om de harten van anderen te verzachten zich verharden.122
- 117. Romeinen 1:24.
- Romeinen 1:26.
- Romeinen 1:28.
- Romeinen 11:7,8.
- 118. Deuteronomium 29:4.
- 119. Mattheüs 13:12.
- Mattheüs 25:29.
- 120. Deuteronomium 2:30.
- 2 Koningen 8:12,13.
- 121. Psalm 81:11,12.
- 2 Thessalonicenzen 2:10-12.
- 122. Exodus 7:3.
- Exodus 8:32.
- 2 Korintiërs 2:15,16.
- 1 Petrus 2:7,8.
Zoals de voorzienigheid Gods in het algemeen tot alle schepselen reikt, zo draagt ze, op een heel speciale manier, zorg voor zijn kerk, en doet ze alle dingen haar ten goede medewerken.123
- 123. 1 Timoteüs 4:10.
- Amos 9:8,9.
- Romeinen 8:28.
- Jesaja 43:14.
- Jesaja 43:3-5.