Gods verbond met de mens
Gods verbond met de mens
Gods verbond met de mens - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
De afstand tussen God en het schepsel is zo groot dat, hoewel de met rede begaafde schepselen aan Hem als hun Schepper gehoorzaamheid schuldig zijn, zij toch nooit iets van Hem als zegen en beloning zouden kunnen genieten als Hij Zich niet van zijn kant vrijwillig tot hen neerboog. Het heeft Hem behaagd dit tot uitdrukking te brengen door middel van een verbond.145
- 145. Jesaja 40:13-17.
- Job 9:32,33.
- 1 Samuël 2:25.
- Psalm 113:5,6.
- Psalm 100:2,3.
- Job 22:2,3.
- Job 35:7,8.
- Handelingen 17:24,25.
Het eerste verbond dat met de mens gemaakt werd was een verbond van werken,146 waarin aan Adam het leven werd beloofd, en in hem aan zijn nageslacht,147 onder voorwaarde van volmaakte en persoonlijke gehoorzaamheid.148
- 146. Galaten 3:12.
- 147. Romeinen 10:5.
- Romeinen 5:12-20.
- 148. Genesis 2:17.
- Galaten 3:10.
Toen de mens door zijn val zich ongeschikt gemaakt had voor het leven dat krachtens dat verbond zou worden ontvangen, heeft het de HERE behaagd een tweede verbond te maken.149 Dit wordt gewoonlijk het verbond der genade genoemd. Daarmee biedt Hij uit vrije genade aan zondaren leven en zaligheid door Jezus Christus, terwijl Hij van hen geloof in Hem vereist, opdat zij behouden worden.150 En Hij belooft zijn Heilige Geest te geven aan allen die tot het leven verordineerd zijn, zodat Deze hen gewillig maakt en in staat stelt om te geloven.151
- 149. Galaten 3:21.
- Romeinen 8:3.
- Romeinen 3:20,21.
- Jesaja 42:6.
- 150. Johannes 3:16.
- Markus 16:15,16.
- Romeinen 10:6.
- Romeinen 10:9.
- Galaten 3:11.
- 151. Ezechiël 36:26,27.
- Johannes 6:44,45.
Dit genadeverbond wordt in de Schrift vaak aangediend onder de naam van een Testament, en dat dan met betrekking tot de dood van Jezus Christus als Erflater, en tot de eeuwige erfenis die, met alles wat daarbij hoort, daarin is vermaakt.152
- 152. Hebreeën 9:15-17.
- Hebreeën 7:22.
- Lucas 22:20.
- 1 Korintiërs 11:25.
De bediening van dit verbond verschilde in de tijd van de wet van die uit de tijd van het evangelie.153 Onder de wet werd het bediend door beloften, profetieën, offeranden, de besnijdenis, het paaslam, en andere typen en bepalingen die aan het volk der Joden waren overgeleverd, en die allen voorafgegeven aankondigingen waren van de komst van Christus.154 Ze waren voor die tijd, door de werking van de Geest, voldoende en krachtig om de uitverkorenen te onderwijzen en op te bouwen in het geloof in de beloofde Messias,155 door wie zij volle vergeving van zonden hadden en eeuwige zaligheid. Dit wordt genoemd: het Oude Testament.156
- 153. 2 Korintiërs 3:6-9.
- 154. Hebreeën 8:1-13.
- Hebreeën 9:1-28.
- Hebreeën 10:1-39.
- Romeinen 4:11.
- Kolossenzen 2:11,12.
- 1 Korintiërs 5:7.
- 155. 1 Korintiërs 10:1-4.
- Hebreeën 11:13.
- Johannes 8:56.
- 156. Galaten 3:7-9.
- Galaten 3:14.
Onder het evangelie, nu Christus Zich heeft vertoond als het wezen157 van het verbond, zijn de verordeningen waarin dit verbond toegeëigend wordt: de prediking van het Woord en de bediening van de sacramenten van doop en avondmaal.158 Hoewel die in aantal minder zijn en met grotere eenvoud en minder uiterlijke heerlijkheid bediend worden, wordt het verbond daarin in grotere volheid, klaarheid en geestelijke kracht uiteengezet,159 voor alle volken, beide Joden en heidenen.160 Het wordt het Nieuwe Testament genoemd.161 Daarom zijn er niet twee verbonden der genade die in wezen zouden verschillen, maar het is onder verschillende bedelingen één en hetzelfde verbond.162
- 157. Kolossenzen 2:17.
- 158. Mattheüs 28:19,20.
- 159. Hebreeën 12:22-26.
- 160. Mattheüs 28:19.
- Efeziërs 2:15-19.
- 161. Lucas 22:20.
- 162. Psalm 32:1.
- Galaten 3:14,16.
- Romeinen 3:21-23.
- Romeinen 3:30.
- Hebreeën 13:8.