De vrije wil
De vrije wil
De vrije wil - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
God heeft de wil van de mens bekleed met zulk een natuurlijke vrijheid, dat deze noch gedwongen noch door een volstrekte natuurlijke oorzaak tot het doen van goed of kwaad wordt bestemd.206
- 206. Mattheüs 17:12.
- Jakobus 1:14.
- Deuteronomium 30:19.
In de staat van onschuld had de mens de vrijheid en kracht om te willen en te doen wat goed is en Gode behaagt,207 maar toch met de mogelijkheid van verandering, zodat hij daaruit kon vallen.208
- 207. Prediker 7:29.
- Genesis 1:26.
- 208. Genesis 2:16,17.
- Genesis 3:6.
Door zijn val in een staat van zonde heeft de mens geheel en al het vermogen verloren om ook maar iets goeds te willen dat bij de zaligheid behoort.209 Zodat een natuurlijk mens, die dus helemaal afkerig is van het goede210 en dood door zonde,211 niet in staat is in eigen kracht zich te bekeren of zich daarop voor te bereiden.212
- 209. Romeinen 5:6.
- Romeinen 8:7.
- Johannes 15:5.
- 210. Romeinen 3:10,12.
- 211. Kolossenzen 2:13.
- Efeziërs 2:1,5.
- 212. Johannes 6:44,45.
- Efeziërs 2:2-5.
Wanneer God een zondaar tot bekering brengt en hem in de staat van genade overplaatst, bevrijdt Hij hem van zijn natuurlijke slavernij der zonde.213 En door zijn genade alleen stelt Hij hem in staat om vrij te willen en te doen wat geestelijk goed is.214 Maar dan toch zo dat hij, uit kracht van de verdorvenheid die nog in hem overblijft, niet alleen niet volmaakt wil wat goed is, maar ook wil wat kwaad is.215
- 213. Kolossenzen 1:13.
- Johannes 8:34,36.
- 214. Filippenzen 2:13.
- Romeinen 6:18,22.
- 215. Galaten 5:17.
- Romeinen 7:15,18,19,21,23.
De wil van de mens wordt uitsluitend in de staat der heerlijkheid volmaakt en onveranderlijk vrijgemaakt om alleen het goede te doen.216
- 216. Efeziërs 4:13.
- Hebreeën 12:23.
- 1 Johannes 3:2.
- Judas 1:24.