Laden

Gods eeuwige besluit

Gods eeuwige besluit

Gods eeuwige besluit - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
  1. Van alle eeuwigheid heeft God, naar de volkomen wijze en heilige raad van zijn eigen wil, in vrijheid en onveranderlijk verordineerd alles wat er ooit gebeurt.65 Maar dan zo dat daardoor noch God de Auteur van de zonde is,66 noch dat de wil van de schepselen geweld wordt aangedaan, noch dat de vrijheid of mogelijkheid van tweede oorzaken wordt weggenomen — maar dat deze zelfs eerder door Hem worden bevestigd.67

    • 65. Efeziërs 1:11.
    • Romeinen 9:15.
    • Romeinen 9:18.
    • Romeinen 11:33.
    • Hebreeën 6:17.
    • 66. Jakobus 1:13.
    • 1 Johannes 1:5.
    • 67. Mattheüs 17:12.
    • Johannes 19:11.
    • Handelingen 2:23.
    • Handelingen 4:17-28.
    • Spreuken 16:33.
  2. Hoewel God alles weet wat er kan of zou kunnen gebeuren onder alle mogelijke omstandigheden,68 toch heeft Hij niets verordend omdat Hij het als toekomstig voorzag, of als zou het gebeuren als gevolg van zulke omstandigheden.69

    • 68. 1 Samuël 23:11,12.
    • Mattheüs 11:21,23.
    • Handelingen 15:18.
    • 69. Romeinen 9:13.
    • Romeinen 9:11.
    • Romeinen 9:16.
    • Romeinen 9:18.
  3. Door het besluit van God zijn, ter betoning van zijn heerlijkheid, sommige mensen en engelen70 voorbestemd tot het eeuwige leven en anderen voorbeschikt tot de eeuwige dood.71

    • 70. 1 Timoteüs 5:21.
    • Mattheüs 25:41.
    • 71. Romeinen 9:22,23.
    • Efeziërs 1:5,6.
    • Spreuken 16:4.
  4. Deze engelen en mensen, zo voorbestemd en voorbeschikt, zijn elk afzonderlijk en onveranderlijk aangewezen, en hun aantal is zo vast en definitief, dat het noch vermeerderd noch verminderd kan worden.72

    • 72. Johannes 13:18.
    • 2 Timoteüs 2:19.
  5. Diegenen uit de mensheid die zijn voorbestemd tot het leven, heeft God, vóór de grondlegging der wereld, naar zijn eeuwig en onveranderlijk voornemen en naar de verborgen raad en het welbehagen van zijn wil, in Christus uitverkoren tot eeuwige heerlijkheid,73 alleen uit vrije genade en liefde, zonder enig vooruitzien van geloof, goede werken of volharding in een van hen of iets anders in de schepping, als voorwaarden of oorzaken die Hem ertoe zouden hebben bewogen;74 en dit alles tot lof van zijn heerlijke genade.75

    • 73. Efeziërs 1:4.
    • Efeziërs 1:9.
    • Efeziërs 1:11.
    • Romeinen 8:30.
    • 2 Timoteüs 1:9.
    • 1 Thessalonicenzen 5:9.
    • 74. Romeinen 9:11.
    • Romeinen 9:13.
    • Romeinen 9:16.
    • Efeziërs 1:4.
    • Efeziërs 1:9.
    • 75. Efeziërs 1:6.
    • Efeziërs 1:12.
  6. Zoals God de uitverkorenen tot heerlijkheid heeft beschikt, zo ook heeft Hij, krachtens het eeuwige en volstrekt vrije voornemen van zijn wil, alle middelen die daartoe leiden voorbeschikt.76 Waarom dan ook degenen die uitverkoren zijn, in Adam als zij zijn gevallen, door Christus worden verlost,77 door zijn Geest, die te gelegener tijd werkt, krachtdadig tot geloof in Christus worden geroepen, gerechtvaardigd, aangenomen, geheiligd,78 en in zijn kracht door geloof tot zaligheid worden bewaard.79 Niemand anders wordt door Christus verlost, krachtdadig geroepen, gerechtvaardigd, aangenomen, geheiligd en zaliggemaakt dan alleen de uitverkorenen.80

    • 76. 1 Petrus 1:2.
    • Efeziërs 1:4,5.
    • Efeziërs 2:10.
    • 2 Thessalonicenzen 2:13.
    • 77. 1 Thessalonicenzen 5:9,10.
    • Titus 2:14.
    • 78. Romeinen 8:30.
    • Efeziërs 1:5.
    • 2 Thessalonicenzen 2:13.
    • 79. 1 Petrus 1:5.
    • 80. Johannes 17:9.
    • Johannes 6:64,65.
    • Romeinen 8:28-39.
    • Johannes 10:26.
    • Johannes 8:47.
    • 1 Johannes 2:19.
  7. Wat het overige deel van de mensheid aangaat heeft het God behaagd, naar de onnaspeurlijke raad van zijn wil, waardoor Hij al naar het Hem behaagt genade verleent of onthoudt, en dit tot eer van de soevereine macht die Hij over zijn schepselen heeft, hen voorbij te gaan en te bestemmen tot oneer en toorn over hun zonden, tot lof van zijn heerlijke gerechtigheid.81

    • 81. Mattheüs 11:25,26.
    • Romeinen 9:17,18.
    • Romeinen 9:21,22.
    • 2 Timoteüs 2:19,20.
    • 1 Petrus 2:8.
  8. De leer van dit zeer diepe mysterie van de voorbeschikking moet met speciale voorzichtigheid en zorgvuldigheid gehanteerd worden,82 zodat de mensen die luisteren naar de wil Gods zoals die in zijn Woord is geopenbaard en daaraan gehoorzaamheid bewijzen, uit de vastheid van hun krachtdadige roeping verzekerd worden van hun eeuwige verkiezing.83 En zo zal deze leer stof opleveren voor lof, eerbied en bewondering van God,84 en voor nederigheid, ijver en rijke vertroosting voor allen die het evangelie oprecht gehoorzamen.85

    • 82. Romeinen 9:20.
    • Romeinen 11:33.
    • Deuteronomium 29:29.
    • 83. 2 Petrus 1:10.
    • 84. Efeziërs 1:6.
    • 85. Romeinen 11:5,6.
    • Romeinen 11:20.
    • 2 Petrus 1:10.
    • Romeinen 8:33.
    • Lucas 10:20.