De kerkelijke censuur
De kerkelijke censuur
De kerkelijke censuur - Hoofdstuk van de Westminster Geloofsbelijdenis
Als Koning en Hoofd van zijn kerk heeft de Here Jezus het bestuur daarvan in handen gelegd van kerkelijke ambtsdragers. Dit bestuur verschilt van dat van de burgerlijke overheid.560
- 560. Jesaja 9:6,7.
- 1 Timoteüs 5:17.
- 1 Thessalonicenzen 5:12.
- Handelingen 20:17,28.
- 1 Korintiërs 12:28.
- Hebreeën 13:7,17,24.
- Mattheüs 28:18-20.
Aan deze ambtsdragers zijn de sleutels van het Koninkrijk der hemelen toevertrouwd. Uit kracht daarvan hebben zij de bevoegdheid om respectievelijk zonden te behouden of kwijt te schelden, dat Koninkrijk te sluiten voor onboetvaardigen, beide door het Woord en de censuur, en het te openen voor boetvaardige zondaren, door de bediening van het evangelie en het ontslaan van de censuur, al naardat de gelegenheid vereist.561
- 561. Mattheüs 18:17,18.
- Mattheüs 16:19.
- Johannes 20:21-23.
- 2 Korintiërs 2:6-8.
Kerkelijke censuur is noodzakelijk om zondigende broeders te behouden en terug te winnen, en om anderen af te schrikken van het begaan van dergelijke zonden, voor het uitzuiveren van wat het hele deeg zou kunnen aantasten, voor de verdediging van de eer van Christus en de heilige belijdenis van het evangelie; en om de toorn van God te voorkomen, die terecht op de kerk zou neerkomen als zij zou toelaten dat zijn verbond en de zegels daarvan door openbare en hardnekkige overtreders werden ontheiligd.562
- 562. 1 Korintiërs 5:1-13.
- 1 Timoteüs 5:20.
- Mattheüs 7:6.
- 1 Timoteüs 1:20.
- 1 Korintiërs 11:27-34.
- Judas 1:23.
Om deze doeleinden beter te kunnen bereiken moeten de ambtsdragers van de kerk voortgaan met vermanen, afhouden van het sacrament van het avondmaal des Heren voor een tijd, en afsnijden van de gemeenschap der kerk, overeenkomstig de aard van het misdrijf en de schuld van de betrokken persoon.564
- 564. 1 Thessalonicenzen 5:12.
- 2 Thessalonicenzen 3:6,14,15.
- 1 Korintiërs 5:4,5,13.
- Mattheüs 18:17.
- Titus 3:10.